Rechtspraak - Schepenbank en kantongerecht (900)  

Geradbraakt op de markt

Neggers, A.

In 1741 houdt drossaard van Grevenbroeck een man en een vrouw aan, nadat hij bericht heeft gehad dat seekere vrouws persoon met een valse verklaringh alhier was collecterende. De vrouw had eerder die dag aangebeld bij Anthonij van der Burgh, predikant in Oirschot. Zij toonde een attestatie, waarin stond dat zij Anna de Wit heette, van de geformeerde religie, wiens man bij de twee jaaren beroert en quinende met drie oonnoosselle kinderen haar in des souden een noodpenningh deden versoecken.
De predikant vertrouwt het niet: de datum op de attestatie  klopt niet met de wetenschap van van der Burgh dat de predikant van Geldrop, die deze zou hebben afgegeven, op 25 december 1739 is overleden. Hij vraagt de vrouw hoe ver Geldrop van Oirschot ligt, en in welke provincie, en als ze daar geen antwoord op weet waarschuwt hij de drossaard.
 

Het paar wordt ieder apart in het raadhuis opgesloten. De man is Peter Bessems, oud 46 jaar, geboren te Meer. Volgens zijn eigen verklaring is hij soldaat geweest. De vrouw heet Anna Stoffels van Oosterwijk, geboren in Den Haag. Zij zijn in Rotterdam getrouwd.
De verklaringen van de man en de vrouw spreken elkaar tegen, en daarom verzoekt de drossaard de schepenen om een decreet van apprehensie (arrestatiebevel), en begint hij een onderzoek naar de antecedenten van het echtpaar. Uiteindelijk schrijft de schout van Ubach in Zuid-Limburg dat Peter Bessems in 1727 een booterdieffstael heeft gepleegd, en is gevlucht. Hij wordt ook nog verdacht van inbraak in de kerk van Ubach, en van de moord op een man uit Wales, gepleegd onder het ampt Geijlenkirchen. De brief van de klerk van hoogschout van den Heuvel komt op 12 december in Oirschot aan, en is aanleiding voor de drossaard om de gedetineerde op 17 december opnieuw te verhoren. Als de drossaard ook nog een brief ontvangt van de schout van het ampt Pelt, waarin Peter Bessems ook nog wordt beschuldigd van betrokkenheid bij moord in 1727, besluit drossaard van Grevenbroeck hem onder scherper examinatie (foltering) te ondervragen. Uiteindelijk slaat Bessems door: hij bekent zowel de diefstal en inbraak, als zijn betrokkenheid bij de moord in Pelt. Uiteindelijk bekent hij ook nog de moord op de Welse man. Hij heeft hem gedood met een ijzere bout op de kop, en in een kuil begraven. Dat gebeurde tussen achttien en negentien jaar geleden.
Op 29 januari 1742 wordt Peter Bessems door de schepenbank ter dood veroordeeld. In het vonnis staat  dat den gevange sal worden gebragt ter plaetse alwaer men binnen deese heerlijkhijd gewoon is te doen de executie van de crimineele justitie en aldaar andere ten exempel en afschrick door den meester van den scherpe geregtd van onderen op levendig gradbraakt het hooft afgeslagen en op een pin gestoken en vervolgens het lichaem naer het buijten gerecht vervoert om aldaar ten toon gestelt te worden. Pieter Bessems wordt direct na voorlezing van het vonnis op 31 januari 1742 door meester Johannes van Aanhalt, scherprechter uit Nijmwegen, geradbraakt. Anna van Oosterwijk wordt veroordeeld tot geseling met de strop om de hals, en eeuwige verbanning. Na de terechtstelling van haar man wordt zij gegeseld en buiten de jurisdictie van de heerlijkheid Oirschot gebracht.