Rechtspraak - Schepenbank en kantongerecht (900)  

Kanton- Kantongerecht- Kantonrechter

Esch-van Hout, Cl. van.
Van den Herd 2007-01

Vergroot beeldmateriaal

De term kanton - maar dan in het Frans: canton - duikt in de Oirschotse archieven voor het eerst op in de zgn. Franse tijd, en wel in 1810. In dat jaar werd ons land door de Franse bezetters doodleuk ingelijfd bij hun land. ‘Waren die Verenigde Nederlanden eigenlijk niet gewoon een aanslibsel van hun rivieren?’, zo redeneerde men in Frankrijk. En als Nederland dan toch een deel van Frankrijk werd, dan maar meteen Franse wetten, Franse reglementen en de Franse taal ingevoerd.

Zo werd de bestuursinrichting van ons land ook op Franse leest geschoeid. Daartoe werd ons grondgebied verdeeld in departementen. Die departementen kregen namen - ook in het Frans natuurlijk - meestal afgeleid van rivieren. Oirschot lag in het departement des bouches du Rhin (departement van de monding van de Rijn). Elk departement werd onderverdeeld in arrondissementen, die weer in cantons en vervolgens de cantons in gemeentes. Ook de rechterlijke organisatie werd in 1811 naar Frans model ingericht. Zo kreeg bijvoorbeeld elk canton een vrederechter toegewezen. Omdat Oirschot de hoofdplaats was van een canton, werd ons dorp meteen standplaats van zo’n vrederechter. Waar de Oirschotse vrederechter zitting hield, is mij niet bekend, maar omdat het gemeentehuis nog niet gebruikt werd door veel gemeenteambtenaren, ligt deze locatie het meest voor de hand.

Na de val en de aftocht van de Fransen uit ons land (1813), werd er door onze eigen nieuwe bestuurders gewerkt aan nieuwe wetten, nieuwe regels en organisaties. En dat liep natuurlijk niet van een leien dakje. Dat ging met veel strubbelingen gepaard. Zo bleven de vrederechters voorlopig ook nog gewoon in functie. Pas in 1827 kwam er een nieuwe wet op de rechterlijke organisatie tot stand, die men verder nog uit moest werken. Waarschijnlijk is toen ons gemeentebestuur ter ore gekomen, dat bij een nieuwe indeling van de kantons (nu in het Nederlands geschreven) Oirschot haar positie als hoofdplaats van dat kanton en dus ook als plaats van een rechtbank zou verliezen en misschien gekozen zou worden voor Hilvarenbeek. Daarom werd gemeentesecretaris Waterbeek aan het werk gezet om een indringende brief naar ‘Hunne Edele Mogenden’ in Den Haag te schrijven, dat het niet meer als billijk was om toch zeker voor Oirschot te kiezen als standplaats van een rechter. In die brief voerde hij als argumenten onder andere aan:

  • Dat Oirschot in het centrum van het tegenwoordige kanton ligt. terwijl Hilvarenbeek op de grens ervan ligt.
  • Dat Oirschot een bevolking telt van 3600 à 3700 zielen en Hilvarenbeek dun bevolkt is met haar 1900 inwoners.
  • Dat Oirschot al een zware schok heeft moeten ondergaan door de afscheiding van een aanzienlijk gedeelte (Best) en daardoor wel de inkomsten, maar niet de uitgaven zijn verminderd. Bovendien zou het voor Oirschot grievend zijn als ze ook nog deze standplaats van de rechter zou verliezen. Immers het dorp was sinds onheugelijke tijd hoofdplaats geweest van het kwartier van Kempenland, sinds 1811 hoofdplaats van haar kanton, en standplaats van het kantoor der registratie, successie en zegelrechten enz. enz.
  • Daarenboven is de gemeente zuchtende onder ongehoorde zware lasten of schulden. Enz. enz.
     

Voor alle zekerheid en ten overvloede zocht de gemeenteraad het ook nog hogerop door een verzoek aan de koning te schrijven. (In die tijd had onze vorst, Willem 1, op bestuurlijk gebied nog veel te vertellen). Men gebruikte ongeveer dezelfde argumenten, maar in een andere toonzetting. Het werd verpakt in een ‘ootmoedige bede’.


Of het daaraan gelegen heeft, weet ik niet, maar toen in 1838 ten langen leste alle voorbereidingen, wat betreft de invoering van de nieuwe rechterlijke organisatie, achter de rug waren en Noord- Brabant verdeeld was in 19 kantons, was het kanton Oirschot daar één van. Als opvolger van de vrederechter, die ondertussen nog steeds functioneerde, kreeg onze gemeente nu een kantonrechter binnen haar grenzen. De werkzaamheden en bemoeienissen van een kantonrechter waren van een grotere omvang dan die van de vroegere vrederechter. De kantonrechter vonniste over politieovertredingen en wanbedrijven waar geen hogere boete opstond dan ƒ75,- of 7 dagen hechtenis. Later veranderden die bevoegdheden.
Maar voor we de kantonrechter binnen konden halen, moest Oirschot nog wel even aan enkele voorwaarden voldoen. Zo moest de gemeente voor de kantonrechter drie kamers ter beschikking hebben, voorzien van het nodige meubilair: één vertrek voor de terechtzitting, één als deliberatiekamer en één voor de griffier. Voor een plattelandsgemeente nam men voorlopig echter genoegen met twee vertrekken. Oirschot kon aan die voorwaarden van drie vertrekken ruimschoots voldoen door het raadhuis inwendig te verbouwen. In de kamer voor de terechtzitting maakte men zelfs ruimte voor het publiek, zodat dat mee kon genieten van een terechtzitting. De verbouwde lokalen werden kosteloos, voor het gebruik door de kantonrechter, afgestaan, mits het rijk in het verdere onderhoud voorzag. En zo gebeurde.
In het archief is de inventarislijst van de gerechtzaal in klad bewaard gebleven (het origineel is ongetwijfeld aan het ministerie toegezonden). De lijst (gewaardeerd in guldens) geeft een indruk van de standaard inrichting van een gerechtszaal in het midden van de negentiende eeuw, en ziet er als volgt uit:

Kosten
een kaghel met pijp en kolenbak schup en plaat 32
8 kersenhouten stoelen met kussens twee houten bankjes en zes inktkokers met toebehoren 100
twee staande schrijflezenaars met een blad bekleed met groen laken 40
ene kast twee ellen breed 2 ½ hoog 1 ½ diep met elf banken 45
eene groote en twee kleine tafels 30
eene schel met koord en 3 fauteuils in de geregtzaal 100
Totaal 347

Onze eerste Oirschotse kantonrechter Willem Franciscus Guljé begon in 1838, meteen na het van kracht worden van de wet, te functioneren. In 1860 vond er een uitbreiding plaats van de rechtmacht der kantonrechters, waardoor er voortaan meer en langere rechtzittingen plaats vonden. Het gevolg was dat het raadhuis aangepast en enigszins opgeknapt moest worden. De kosten werden geschat op ƒ231,50. In 1877 kwam er een nieuwe verdeling in de rechtsgebieden. Het aantal kantons in onze provincie werd toen teruggebracht tot 14 kantons. Oirschot ontkwam aan de sanering. In die tijd vielen onder het kantongerecht van Oirschot, behalve ons dorp zelf, de plaatsen Liempde, Best, Oost-West- en Middelbeers, Wintelre, Vessem, Bladel, Casteren, Hapert, Hoge- en Lage Mierde, Knegsel, Netersel, Hoogeloon, Diessen, Hilvarenbeek en Moergestel.

Vermoedelijk begon het in het begin van de 20 ste eeuw wat druk te worden op het gemeentehuis door toename van gemeentelijke diensten en ambtenaren. Zeker is dat de in 1902 benoemde kantonrechter Mr. Jan van IJsselsteijn in 1904 al een onderhoud heeft gehad met de minester van justitie over een te bouwen kantongerechtsgebouw in Oirschot. De minister was niet ongenegen, zo bleek uit een overleg van de kantonrechter met de burgemeester van Oirschot, Breton van Lith, als de gemeente steun zou verlenen door het gratis afstaan van de bouwgrond. In februari 1904 diende de burgemeester daarvoor een voorstel in. Onze bestuurders waren enthousiast voor, vooral omdat men vernomen had dat er een herziening van de rechterlijke macht in de maak was, en een gerechtsgebouw beslist behoud zou betekenen voor Oirschot als hoofdplaats van het kanton. Alleen wethouder van Heumen maande tot voorzichtigheid.Toch werd met algemene stemmen besloten een stuk grond achter de bleekkuil gratis af te staan aan het rijk. Er kwam meteen garen op de klos. Halverwege het jaar 1904 lag er al een bouwtekening, gewijzigd en wel, op tafel. In juli 1905 keurde de gemeenteraad het hele plan goed en in dezelfde maand kwam de goedkeuring van de provincie binnen. Op 11 september 1905 werd er een officiële akte gepasseerd tussen burgemeester Breton van Lith en secretaris Justinus Nuyens, die de gemeente Oirschot vertegenwoordigden aan de ene zijde, en Mr. Eduard Ellis van Raalte, minister van justitie aan de andere zijde, die namens de Nederlandse Staat optrad. In die akte ‘verklaart de gemeente Oirschot kosteloos en in volle en vrije eigendom af te staan aan de staat der Nederlanden een perceel bouwterrein in Oirschot ter grootte van 6 aren en 85 centiaren een onderdeel van perceel kad. F no 446. De staat der Nederlanden verplicht zich om op vermeld terrein een kantongerechtsgebouw te bouwen, waarin tevens zullen worden opgenomen localiteiten bestemd voor de dienst der registratie. De gemeente verplicht zich op haar beurt de openbare weg Torenstraat en een gedeelte van de Kerkstraat te verbreden en vrij te houden, zomede dat de bestaande vijver (bleekkuil) als brandput kan blijven bestaan en zij verplicht zich ook de vijver aan één kant een beetje te verbreden en met enige heesters te beplanten zodat toch het karakter van een vijver wordt gegeven. Tevens verplicht de gemeente zich het voor- en zijterrein onbebouwd te laten, daarop geen muren of schuttingen te plaatsen, doch slechts tot plantsoen met opgaande bomen te bestemmen, zodanig dat vanaf de muziekkiosk op de markt steeds het rijksgebouw in volle omvang zichtbaar blijft. Tevens moet de gemeente zorgen voor het aanleggen en onderhouden van een klinkerpad van minstens 2 meter breed vanaf het raadhuis tot aan de ingang van het kantongerechtgebouw.’
Toen alles officieel op papier stond, kon men aan de praktische voorbereidingen beginnen. Veertien dagen later al, op 25 september, kwam de hoofdingenieur voor de gevangenissen en rechtsgebouwen, ene Metselaar, naar Oirschot om het terrein dat de gemeente afgestaan had aan het rijk, hoogstpersoonlijk af te bakenen en het gebouw daarop uit te zetten. Daarbij bleek dat het terrein waarop gebouwd zou worden, te klein was om alle bouwmaterialen die gedurende de bouw nodig waren op te slaan. ‘Of de gemeente een strook grond tijdens de bouw wilde verhuren aan het rijk?’, zo was de vraag. Klaarblijkelijk was Oirschot zo vereerd met haar toekomstige kantongerecht dat ze besloot aan de oostkant een strook grond tijdelijk gratis beschikbaar te stellen.

Er zijn in de loop van de tijd al veel historische artikelen geschreven over Oirschot, maar over het kantongerecht (zoals wij het noemen) zul je bijna niks vinden. Dit komt omdat er in de Oirschotse gemeentearchieven weinig over het gebouw te vinden is. Het was immers een rijksgebouw, en kantonrechters waren rijksambtenaren, waar de gemeente geen bemoeienis mee had. In de weinige regels die ooit aan het kantongerecht gewijd zijn, ben ik drie datums als bouwjaar tegen gekomen, namelijk 1902, 1908 en 1910. En daar voeg ik dan nog een jaartal aan toe: 1906. Waarschijnlijk het enige ware.
Die conclusie berust op de volgende gegevens:

  • Op 18-11-1905 heeft de openbare aanbesteding voor de bouw plaatsgevonden;
  • De toewijzing voor de bouw volgde op 5-12-1905. Toen kon men dus beginnen.;
  • In september 1906 moesten er nog enkele werkzaamheden verricht worden, zoals het rooien van de haag aan de noord- en westzijde van het gebouw en het egaliseren van de weg. Bovendien het aanleggen van een zinkput, een rioolleiding en het uitdiepen van de vijver.;
  • Dat het gebouw begin 1907 klaar was, blijkt uit het feit dat J. W. Hobbelen, die dan al conciërge is in het nieuwe kantoor van het rechtsgebouw, in januari verlof vroeg aan B en W voor de verkoop van alcoholhoudende- en andere dan sterke drank in de wachtkamer van het kantongerechtsgebouw;
  • Een ander feit: Ook in januari doet gemeentebode W. Voermans bij B en W. zijn beklag dat hij minder inkomsten heeft wegens verplaatsing van het kantongerecht. En toch moet hij die vertrekken van het voormalig kantongerecht, waar hij eerder voor betaald werd door het rijk, nog schoonhouden. Daardoor heeft hij ƒ25,- minder salaris. Als in maart 1907 de commissaris van de koningin Oirschot met een bezoek vereert , klaagt W. Voermans ook tegenover hem dat hij te weinig salaris beurt sinds het kantongerecht niet meer op het raadhuis is.


Conclusie:
Gebouwd in 1906. In gebruik eind 1906/begin 1907.

Op de bovenverdieping kreeg de kantonrechter zijn domein, bestaande uit een zittingszaal met ruimte voor publiek, een wachtkamer en een eigen vertrek voor de rechter zelf. Op de begane grond waren er twee vertrekken bestemd als werkkamer voor de registratie der domeinen, twee vertrekken voor de opslag van de archieven en de griffier had er zijn werkkamer. Aan de achterkant van het gebouw kwam een complete woning beschikbaar voor de conciërge.
Helaas, heel lang is het gebouw niet als kantongerecht gebruikt. In 1924 diende minister Heemskerk een wetsontwerp in om uit zuinigheidsoverwegingen verscheidene kantongerechten op te heffen, waaronder ook dat van Oirschot. Er kwamen protesten, waarbij vooral de gemeente Heusden (waarschijnlijk ook slachtoffer van de bezuiniging) de gangmaker was. De plannen werden niet in behandeling genomen maar gingen de ijskast in tot gunstiger tijden. In 1926 probeerde de toenmalige minister van justitie Donner het nog een keer. Tenslotte werd in 1933 het Oirschotse kantongerecht officieel opgeheven. Slechts één kantonrechter, Mr. Jan van IJselsteijn, heeft gebruik kunnen maken van het kantongerecht.

Het gebouw werd opmerkelijk genoeg niet van de hand gedaan maar bleef eigendom van het rijk. In 1937 werd er een vergunning aangevraagd voor een verbouwing van de bovenverdieping. Twee wooneenheden was het resultaat van die verbouwing. Samen met de conciërgewoning werd het gebouw toen verhuurd aan 3 gezinnen terwijl de vertrekken van de onderverdieping gebruikt werden door verscheidene overheidsdiensten.
In 1950 kreeg de gemeente de kans het gebouw te kopen. Voor ƒ25.000,- werd de gemeente eigenaar van het kantongerecht, waarbij ook de conciërgewoning. De huurders konden voorlopig blijven tot 1958. Toen immers werden er plannen gelanceerd om het pand te verbouwen en het gemeentearchief er in onder te brengen. Geraamde kosten: ƒ13.800,-. Omdat bij dat archief ook het gemeentearchief van Best hoorde, wilde Best voor de helft meebetalen. Of dat meebetalen ook gebeurd is, heb ik niet kunnen achterhalen.
Ook in 1982 had men nog even plannen tot een flinke verbouwing van het archief, maar wegens geldgebrek werden die plannen teruggebracht tot bescheidener proporties. Ten slotte werd per 1-1-1996 de huur opgezegd aan het streekarchief dat toen moest verkassen naar het vroegere Lebrogebouw aan de Koestraat, want de gemeente had grote en grootse uitbreidingsplannen voor haar administratiekantoor. En nu, na een grondige opknapbeurt, zetelt ons Oirschots bestuur in ons mooie, monumentale, 100-jarige, ‘aauw kantongerècht’.