Oorlog en vrede - Vrede tegen hoge prijs (1940)  

De commissaris en de vluchtelingen, Belgen in Brabant, juli-december 1914

Bos-Rops, Y.
Brabants Heem, jaargang 49, 1997

In de nacht van 3 op 4 augustus 1914 vielen Duitse soldaten België binnen. In de vier daaropvolgende jaren vormde het Belgisch grondgebied het strijdtoneel van de Eerste Wereldoorlog. Na de Duitse aanval op Antwerpen begin oktober 1914 weken duizenden Belgen als vluchteling uit naar Noord-Brabant. De Tol die het provinciaal bestuur speelde in het oplossen van wat gezien werd als een vluchtelingenprobleem vormt het thema van onderstaand artikel.

In het tweede halfjaar van 1914 werd de provincie Noord-Brabant vanuit België overstroomd door ongeveer een half miljoen vluchtelingen. Over de opvang van de Belgische vluchtelingen in de verschillende plaatsen, de situatie in de opvangkampen' en het landelijke beleid' is, in de tijd zelf en later, al het nodige gepubliceerd. De provincie komt daarbij nauwelijks aan de orde. Op zich is dat niet verwonderlijk: zorg voor vluchtelingen werd in die tijd beschouwd als een zaak voor het particulier initiatief en niet als iets waarmee de overheid zich zou moeten bezighouden. Pas toen geen honderden meer, doch duizenden en tienduizenden Nederland binnentrokken besefte de regering dat staatsbemoeienis vereist was en ging zij over tot oprichting van de Centrale Commissie tot Behartiging van de Belangen van naar Nederland uitgeweken vluchtelingen.
Voor het provinciaal bestuur was geen afzonderlijke rol weggelegd. Dat betekent niet dat men in het provinciehuis niet met het vluchtelingenprobleem in aanraking kwam. Dit artikel geeft details uit de correspondentie in het provinciaal archief, die de rol illustreren die de commissaris van de koningin speelde. Of liever gezegd de rol die deze rijksfunctionaris in het provinciaal bestuur nog kon spelen, An een provincie waar de macht van de militaire autoriteiten snel was toegenomen en waar vanaf 8 oktober 1914 een aparte regeringscommissaris voor de vluchtelingen werkzaam was.

Het uitbreken van de oorlog

Vanaf het moment dat hij op 31 juli om één minuut voor drie 's middags het telegram: 'Algemeen mobilisatie is heden gelast.’ Voor minister J.B. Kan' had ontvangen, begon voor de commissaris van de koningin in Noord-Brabant, mr. A.E.J. van Voorst tot Voorst, een bijzondere periode.' In de loop van augustus werd in vier fasen een steeds groter deel van de provincie onder militair gezag geplaatst. Dat leidde er uiteindelijk toe dat vanaf 8 september het zuidelijk deel van de provincie in staat van beleg verkeerde en dat in de rest van het gebied de, minder vergaande, staat van oorlog gold.' In beide gevallen oefende het militair gezag verschillende functies uit van het burgerlijk bestuur en werden enkele vrijheden, zoals bijvoorbeeld de vrijheid van drukpers, beperkt. Voor gebieden in staat van beleg konden de militaire autoriteiten in principe zelfs handelen zonder overleg te plegen met de burgerlijke overheid. Vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid trad de commissaris van de koningin vanaf dat moment op als verbindingsschakel tussen de militaire autoriteiten en het lokaal bestuur.

Zorg voor de veiligheid

De combinatie van vluchtelingen en mobilisatie van marechaussee- en politiepersoneel gaf aanleiding tot bezorgdheid over de veiligheid op het platteland. De commissaris verwoordde deze bezorgdheid op 8 augustus in een brief aan zijn burgemeesters als volgt: 'In de ernstige tijden van dit ogenblik nu tal van vluchtelingen uit het buitenland in deze provincie binnenkomen, waardoor deze overstroomd wordt door men schen zonder middelen van bestaan, nu daarenboven vele fabrieken zullen worden stopgezet, waardoor een groot aantal werklieden brodeloos wordt, meen ik goed te doen U in ernstige overweging te geven ervoor te waken dat het politietoezicht op het platteland voldoende blijft.' Hij had daarvoor twee suggesties. Allereerst het aanstellen van 'onbezoldigde en tijdelijke of buitengewone gemeenteveldwachters'. Op voordracht van de burgemeesters was hij bereid deze onmiddellijk aan te stellen. Van deze mogelijkheid is op grote schaal gebruik gemaakt. In de correspondentie van de commissaris zijn in de maanden daarna een groot aantal aanstellingen van gemeenteveldwachters te vinden evenals nieuwe benoemingen van rijksveldwachters door de minister van justitie. Op de tweede plaats wees hij de gemeentebesturen op de mogelijkheid inwoners tijdelijk op te roepen tot het 'doen van persoonlijke diensten'. Daardoor zou een burgerwacht kunnen worden gevormd, die overigens geen wapens mocht dragen; behalve een gummistok, zoals hij twee weken later desgevraagd aan de burgemeester van Bergen op Zoom liet weten. Ondanks de aanbeveling van de commissaris ging niet iedere gemeente tot de vorming van een burgerwacht over.

Vier meisjes in Oirschot

In deze begintijd had de commissaris nog de gelegenheid zich te bemoeien met het lot van individuele vluchtelingen. Een affaire in Oirschot bewijst dat niet altijd alles vlekkeloos verliep. Op 25 augustus uitte de commissaris zijn ongenoegen over de burgemeester van die plaats. Uit berichten die de commissaris had ontvangen over het optreden van de burgemeester tegenover vier meisjes die een onderkomen hadden gevonden bij de Paters van het gezelschap van Maria (Montfortanen), had hij de indruk gekregen dat de burgemeester de meisjes desnoods met geweld uit de gemeente had willen weren en over de grens zetten. Deze aantijging werd door de burgemeester ontkend: het moest allemaal een misverstand zijn en de meisjes bevonden zich nog ongehinderd bij de paters.
Een brief van een van de paters aan de Belgische consul geeft een heel ander beeld. In zijn visie ging het bij het eerste contact met de burgemeester al mis. Diens eerste reactie op de aanwezigheid van vluchtelingen was namelijk dat hij bevel had gekregen 'om alle vluchtelingen, Duitsche en Belgische, te doen oppikken'. Maar de meisjes mochten wel blijven, want de burgemeesters beweerde daarna 'dat hij alleen een beetje gekheid had willen maken en dat mocht wel in dezen anders zoo triestigen tijd'.
Daags daarna bleek de burgemeester van gedachten veranderd. Hij deelde de meisjes mee dat ze de volgende dag weer naar België moesten terugkeren. Volgens hem had hij daartoe uitdrukkelijk bevel gekregen van de commissaris. Nadat de meisjes beloofd hadden dat ze de volgende dag met de trein van 11.17 uur uit Best zouden vertrekken, probeerde de burgemeester hen te troosten. Volgens de ooggetuige op de volgende wijze: '(...) door o.a. haar te doen begrijpen dat als ze toch moesten sterven, dat het dan beter was dat ze bij haar ouders waren en dat door een kogel te sterven nog de zachtste dood is enz...'
Pas na ruggespraak met de Belgische consul in 's-Hertogenbosch en de griffier van de provincie en verdere protesten, waarbij zelfs de kantonrechter werd ingeschakeld om de burgemeester ervan te overtuigen dat hij zijn boekje te buiten ging, kwam een einde aan de zaak: 'Het telegram van Zijne Excellentie den Commissaris der Koningin deed alle moeilijkheden ophouden.' Aan de basis van het probleem lag waarschijnlijk een gesprek tussen burgemeester over een regeringstelegram waarin werd gemeld dat voorkomen moest worden dat er vluchtelingen uit België en Duitsland een toevlucht zouden zoeken binnen het gebied van de stelling Amsterdam. De commissaris had geprobeerd duidelijk te maken dat het niet de bedoeling van de regering was de vluchtelingen iets in de weg te leggen, maar dat zij gesteund moesten worden en, voor zover dat binnen de omstandigheden mogelijk was, geholpen bij de terugkeer naar hun land. Waarschijnlijk had de burgemeester dit alles helemaal verkeerd begrepen.

De weg terug

Het vluchtelingenprobleem was er een met een kortdurende hevige piek. Begin oktober bevonden zich naar raming 400.000 gevluchte Belgen in de provincie. De telling van 5 november wees uit dat het aantal toen nog 45.000 bedroeg. Vooral nadat de Nederlandse regering met de Duitse bezertingsautoriteiten in België afspraken had gemaakt over de veiligheid van repatrianten begon voor velen de terugtocht. Van overheidswege werd zachte drang uitgeoefend. Al op 16 oktober verzocht de minister van binnenlandse zaken om een opgave van het aantal dat wenste terug te keren. De minister van binnenlandse zaken en de consul-generaal der Nederlanden in Antwerpen zorgden voor circulaires met de strekking dat vluchtelingen gerust konden terugkeren. De commissaris verspreidde deze circulaires via de burgemeesters. Dagelijks zouden treinen rijden voor het vervoer van de vluchtelingen naar België.
Over het verloop van de terugtocht schreef de commissaris aan de minister van binnenlandse zaken. Het was hem opgevallen dat er in het begin weinig animo bestond om naar België terug te keren. Pas toen in de laatste week van oktober duidelijk werd dat de toestanden in Antwerpen meer normaal waren, 'nam die terugkeer gaandeweg groote verhoudingen aan'. Daarbij keerden degenen die iets te verliezen hadden als eerste terug. De achterblijvers werden door de commissaris ingedeeld in drie groepen. Allereerst gegoede burgers, die bij familie, vrienden etcetera of in een hotel verbleven. Dan Belgen die have en goed verloren hadden en door vrees werden weerhouden om terug te keren. En als laatste armlastigen, die dat in België al waren 'en thans vegeteren op het hulpbetoon van ingezetenen en van het rijk'. Deze laatste groep was men liever kwijt dan rijk. De commissaris liet weten dat burgemeesters hem hadden gevraagd om tussenkomst teneinde hun vertrek te bevorderen. Tot slot vroeg de commissaris om maatregelen voor spijtoptanten: Belgische vluchtelingen, die naar hun land terug waren gegaan, maar vervolgens waren teruggekomen in Nederland `omdat zij het daar beter hadden dan in eigen land'. Voor de vluchtelingen die in Nederland bleven en niet in staat waren in hun eigen levensonderhoud te voorzien, werden min of meer permanente opvangkampen ingericht. Zoals het Belgische dorp in Uden, dat in het voorjaar van 1915 in gebruik werd genomen. Maar daarmee had de commissaris niets te maken.