Kunst en cultuur - Beeldende- en muzikale kunst (1923)  

Schuilevink

Loo, Th. van de.
Van den Herd 2007-02

Eerst een soort opsomming van mij bekende Oirschotse taalvirtuozen. Ik weet niet goed wat het verschil is tussen rijmen en dichten; het eerste wordt ooit minachtend ‘rijmelen’ genoemd. Dichten acht ik van iets hogere rang: laat ik zeggen een ‘rijtjeshuis’ tegenover een ‘herenhuis’. Ik vat ‘dichten’ samen met de woorden: ‘verzen maken, verzen opstellen’. In elk geval is zo’n kunstenaar erg gevoelig voor het schone en de ritmische vormen van taal. Bij Schuilevink komt daar nog bij dat de persoon zich niet op de voorgrond wil stellen. Neen, hij wil ‘te schuile gaan’, zich schuil houden. Vinken kwamen natuurlijk veel voor op de hei, waar de taalman Driek Welvaarts woonde. Vandaar zijn ‘nom de plume’: Schuilevink. Trouwens, de heidevink is eveneens een bekende naam in die contreien. De rest over Driek Welvaarts komt verderop.

De oudste, mij bekende schrijver-dichter schreef onder het pseudoniem ‘Meester Maarten’. Hij schreef o.a. ‘De Legende van O.L.Vrouw van de H.Eik’, een ellenlang verhaal. Meester Maarten was (Mar)Tinus Kuijpers, die in Boxtel is overleden in december 1944. Deze Kuijpers heeft veel geschreven over verschillende namen, vooral over Oirschot en omgeving, Hij was met hart en ziel Oirschottenaar. ‘De Legende’ dateert van omstreeks 1890. Een voor mij tot voor kort onbekende dichter in Oirschot was Johan Marie Schreppers (1861-1905). Hij schreef een boekje (dat ik bezit) ‘De gedoofde Waschpit’ met daarin gedichten zoals ‘Dekaneistraat’, ‘Maria-eik’, ‘Boterpad’, ‘Dorp van herkomst’ en ‘Wandeling naar Spoordonk’. Zijn stijl wijst op verwantschap met de Tachtigers. Hij heeft in de Dekanijstraat gewoond en stierf door de trap van een paard op de Oirschotse markt. Het paard stond daar uitgespannen en Johan liep hier te kort langs op de terugweg van kroeg naar huis. Aldus de gegevens in mijn boekje met twaalf sonnetten. Ik laat verder de revue passeren: Sjefke van Haaren, die ondertekende met ‘Joszep’. Sjefke was een broer van den ouwe Charles van Haaren en van Januske van Haaren, de kastelein van ‘De Beurs’. Sjefke, getrouwd met Anna Nuyens, heeft veel gedicht en vooral veel voorgedragen. Ik heb er een grote bundel van. ’t Is allemaal Oirschot, wat de klok slaat. Een andere broer was Louis van Haaren, die gemeentesecretaris van Venray was. Er is mij een gedicht uit 1907 van hem bekend. De activiteiten van Sjefke dateren al van vóór de Eerste Wereldoorlog. Verder ben ik het gedicht ‘Besluit’ van iemand tegengekomen die ondertekende met ‘W.v.d.S.’ Mij onbekend wie dit is. Wie weet het? Dan kom ik op ‘Driekske van ’t Legend’. Dat was een creatie van Willem van Kollenburg (1901- 1962), Willem Kolle is handiger gezegd. Over deze man is al geschreven in ’50 Jaar Heemkundekring’. Willem schreef korte versjes in onder andere ‘Streekbelangen’. Jammer dat ik die niet allemaal bewaard heb. Het waren dikwijls rake opmerkingen over het dorpse leven. Verder valt me nu in: brouwerszoon Gé de Kroon (1918 – 1979), die getrouwd was met Leny Joannes van Oud-Brabant en zij woonden later in Dordrecht. Gé schreef graag gedichten, veelal in het dialect en er zat altijd levenswijsheid in, o.a. over de H.Eik, maar ook over de Stratense kapel en natuurlijk over Cambrinus, de god van het bier. Er is een boekje van hem uitgegeven. Gé had gouden handen en zijn fantasie was bruisend van Brabantse plezierigheid. Behalve met verhalen en gedichten was hij veel bezig met penseel en beitel. Van dit laatste getuigen houten kunstvoorwerpen in de gelagkamer van Oud-Brabant. Zelf heb ik een mooi bewerkte duig van een bierton hangen met daarin gewerkt: Cambrinus, die de godendrank ‘bier’ schiep. Ook zo’n dorpsfiguur met culturele inslag was Hein van den Eijnde (1920-2000). Hein had culturele kwaliteiten, zich uitend in een bundel gedichten, die is uitgegeven. Daarin komt de hele dorpsgeschiedenis tot leven in schone taaluitingen. Hij bezat die gave en was bijzonder gevoelig voor het schone van het leven. Verder was hij een principiële man wat zijn geloof betrof. Ik heb er veel mee gebuurd: hij ‘nen borrel, ik ‘ne pot bier. Niet vergeten mag ik Willem Iven, die in Oirschot in de Dekanijstraat heeft gewoond. Bijzonder mooi vind ik zijn boekje ‘Orskot Ochottochot’. Hij is naderhand verhuisd naar Herpen en soms heb ik hem nog gezien bij een gildefeest in de contreien. Op de eerste plaats was Willem schrijver van verhaaltjes. De hoeksteen in het gemeentehuis bevat zijn tekst: ‘Naar buiten steekt, dat in mij spreekt, wat in U woont, Gij d’andren toont’.
Het koppel Toke Lommers en Leentje van Kempen komt dan aan bod. Zij schreven onder andere ‘In het Lommer van de Kempen’, met recht Oirschotse gedichten te noemen. Het was hun beider hobby en met veel ammezuur is hun werk uitgevoerd, met liefde voor hun en ons Oirschot. ‘Gedichte Gedachten’ is ook van deze dames. Ik kom bij Ad van den Bogaart, speciaal artiest op het gebied van musicals. Ik herinner me ‘Oirschot allée’ in het oude parochiehuis, ‘Gemeenschap, gemeenschap’ van 1973 bij de opening van het nieuwe gemeenschapshuis, ‘Neem Kareltje nou’(1980) en ‘Van Hoge Hoed tot Ragebol’(1997). Wellicht is er meer. De musicals waren plezierig en bevatten stof om over na te denken. Maatschappelijke problemen werden op de hak genomen en Ad heeft daar veel eer mee ingelegd. Verrukkelijk was het. Ad heeft bewezen talent te bezitten. Zit dat nu vastgevroren, daar in de Koestraat? De nog praktiserende Jacques van de Ven wil ik noemen. Van hem zullen we wel meer horen en zien, hoop ik. Hij is erg actief mét zijn Alda in het bloeiende Rederijkersgilde van St. Katrien in Oirschot. Daar zitten veel poëzie-bedrevenen in. Eigenlijk zou ik die allemaal moeten noemen, maar dat lukt me niet. Ik geef hen in zijn geheel een pluim voor hun activiteiten. Chapeau! Over Christianne van de Wal hoor ik met veel lof te schrijven. Zij is steeds actief (trouwens op méér gebieden) en je vindt regelmatig uitingen van haar kundig, schoon werk. Ik had het in het begin over rijtjeshuis en herenhuis. Ik vergelijk haar dichtkunst dan met een villa. Haar oeuvre wordt steeds groter. Drika Oppers-van Esch komt in het vizier, de kordate Drika uit de Termeidesteeg, die bundel op bundel uitgeeft en op diverse plaatsen optreedt. Drika rijmt over het eenvoudige, over het landelijke, over rontelom het huis, over bloemen en planten. Erg actief – ook op kerkelijk gebied – is deze vrouw. Zij gedraagt zich kranig en laat zien dat creativiteit niet alleen iets is voor hooggeleerden. Schitterend vind ik dat. Drika woont heerlijk op Het Legend. Nu ik aan deze uithoek van ons dorp denk moet ik constateren, dat het Legend en het Snepsend meer kunstzinnigheid opgeleverd heeft. Dan denk ik enigszins aan Driekske van ’t Legend, maar vooral aan Jan van Hout, Driekzoon. Later woonde hij in Hapert en was erg actief en handig met de pen wat vertelsels en gedichtjes betrof. Op een ander gebied (maar even waardevol) van het Legend is Jan van Hout, Januszoon, maar die beschreef de natuur meer mondeling. Niettemin het vernoemen waard.

Maar ik ga nu van het ene eind van Oirschot, het Legend, naar het andere, de Hei. Daar leefde Driek Welvaarts, alias Schuilevink. Driek werd geboren in 1892 en is overleden in 1963. Zijn vrouw was geboren in Wouw en heette Beth van Tilburg. Zij kregen dertien kinderen. Dat was een hele ’bersie’ zeiden ze vroeger, een hele ‘klucht’ kun je ’t ook noemen. Ja, het was de tijd van de grote gezinnen: ‘êrm minse plezier’ zei men toen.’t Is misschien wel oneerbiedig gezegd, maar wel raak. Het volk houdt nu eenmaal van treffende gezegdes. Elke maandag hing de halve Hema van wit- en bontegoed aan de waslijn langs den hofpad! En dat elke week; alleen al voor die wasdag hulde aan moeder Welvaarts. Waar woonde de familie Welvaarts? Destijds geheten Molenheide F 69, maar tegenwoordig Slingerbos 9. Aan de ene kant woonde Joant Willems, die al vroeg weduwe was. Zij had twee zonen: Jacq en Manus. De toegangsweg/oprijlaan naar het protestants kerkhof lag (en ligt) tussen hen beiden in. Aan de zuidkant lag een grote boomgaard met laagstam bomen. Daar woonde midden in een houten huis Jan Arts, die getrouwd was met Sjo Maus. Schuin tegenover woonde Dorke Pol in de oude boerderij van den ouwe Charles van Haaren, den houtbreker.
Driek werkte als leerlooier bij de gebroeders Hein en Januske Termeer. Vandaar dat Driek pruimde; hij pakte af en toe een pruimke zware drum uit een blikken doosje. Dat was toen veelal zo onder het werkvolk, want ge moest de handen vrij houden voor het zware werk. Een rolleke pruimtabak kon nog krèk. Hein Termeer zal wel een grote sigaar gerookt hebben uit een doos van Kiske van Vugt of van achter de toog van Princée. Driek (en zijn zonen) deden nog meer. Dat moest wel met zo’n groot gezin. ‘Er komt veul kijke in een huishouwe’ zei men vroeger. Zo is het. Hij haalde bijvoorbeeld ook geld op voor de verzekering Concordia, speciaal opgezet voor de kleine man. Alhoewel Driek uitsluitend lagere school had gehad, herinner ik hem als pienter, bijdehand en met een goed verstand bedeeld. Hij had in Oirschot bijvoorbeeld de leiding van Herwonnen Levenskracht ter bestrijding van de volksziekte tering. Iets bijzonders: Driek was lid van de werkliedenbond St. Willibrordus, die onder leiding stond van Willem Berkenstein en Toon van Lijsdonk. Dat zal Termeer niet graag gehad hebben, maar Driek was een goeie vakman en men kon hem niet missen. Dat was in het begin van de strijd voor meer rechten voor de arbeider. Verder was hij actief voor het Wit-Gele-Kruis. Ik sprak al over de waslijn in den hof, ja, Driek teelde zelf van alles in zijn schone moestuin. Ik denk dat nu in Oost-Europa nog op die manier de eindjes aan elkaar gebreid worden. Wat deed Driek nog meer voor de kost? Hij was een hartstochtelijk jager en zal menig konijntje aan zijn Beth overhandigd hebben. Dat was erg welkom. Ook zullen er wel ieder jaar één of meer varkens gekild zijn, voor eigen gebruik en voor de verkoop. Zo ging dat toen op veel plaatsen. Ik kom aan een heikel punt: dit handwerk zal ik beschrijven. Nu moet ik in gedachten teruggaan naar mijn jeugd in de Molenstraat 39 (toen A 453). Ik ben er niet geboren (ik ben een echte Heikneuter) maar heb er mijn jongste jaren doorgebracht en ben daar ingetrouwd. Dat was in de crisisjaren vóór 1940. We hadden bij ons achter het huis een groot afdak. Aan een spijker hing een oude boodschappentas en daarin stopte ons moeder ’s avonds gepast geld en ’s morgens was het geld verdwenen en lagen er grote kluiten boter voor in de plaats. Verder weet ik uit mijn jeugd dat bij Driek achter een grote musterdmijt lag. Vlak daarvoor (de achterkant lag tegen een muurtje) had Driek evenwijdig aan de mijt een draad tussen twee stevige palen gespannen. Die draad was verbonden middels een ijzeren ring met een lijn aan de halsband van de hond. De hond, Duc geheten, sprong nijdig blaffend op en neer. Niemand, ook de veldwachter niet, durfde dicht bij Duc en dus dicht bij de mijt te komen. Daarin lag ‘ter schuile’ Belgische boter. Zo heb ik het horen vertellen. Bij Termeer zal Driek veel ‘op de been’ gestaan hebben. De benenwagen had ook ander werk te doen, zelfs bij nacht en ontij: loopwerk tussen de grens en de Hei in Oirschot, veelal hei en velden doorkruisend. De waren vervolgens aan huis bezorgen leverde het grootste gevaar op. Daarvoor werden de grotere kinderen ingeschakeld met rollend vervoer, werd mij verteld. Heel gewoon: de kinderwagen. Die was hoognodig in een dergelijk groot gezelschap. De zuigeling kwam heel eenvoudig op de boter te liggen. Onderin werd er een ruimte voor ingericht en de oudste meisjes reden daar mee rond, ongestoord. Wie zou zo’n lief tafereeltje staande houden?! Mogelijk alleen een belangstellende buurvrouw met de vraag ‘hoe heet den deze, houdt jullie moeder hem zelf?’ Het spul kwam zo in het hele dorp terecht.

Uiteindelijk gaat dit verhaal over de kunst van het dichten en rijmen. Driek had gevoel daarvoor, daarom mijn hulde voor zijn culturele inslag op taalgebied.

MER NOG ERGER……
De Meulestroat, die is dursneë
dur un kanaal, dè witte wel.
Er over li un gammel brugske
soaves zo donker es un hel.

Somwijle brandt er wel un lempke,
mèr heel dikkels toch ook nie.
En onlangs toen ik steewaarts keerde,
stiet ik er hevig menne knie.

Dè is het heden, mèr nog erger
zal vuur ons de toekomst zen;
want heel gauw komt er de berger;
er zal dan hellmol gen brug mèr zzen.
Minsen die er over wont,
stikt de koppe bè mekander
en vraagt, verenigd in nu bond
on ’t Kerstmenneke: un “zondagspont”.

Schuilevink