Hof van Solms - Vermaarde geneeskunst (1633)  

Drievoudig 17de eeuws portret van doktor Arnoldus Feij

Klaasen, W.
Campinia, jaargang 3, nummer 10

Vergroot beeldmateriaal

"L'Emperique van de Meijerije van 's-Hertogenbosch", zo noemde koning' Lodewijk XIV van Frankrijk eens deze befaamde Oirschotse arts uit de 17de eeuw. En inderdaad, hij bezat de eigenschappen van een empereur en maakte deze Materieel en geestelijk rendabel.

Arnoldus of Aert Feij werd in het begin der 17de eeuw te Oirschot geboren als zoon van meester Aert Feij en diens vrouw Maria, de dochter van Johan Niclaessen. Vader Aert Feij vestigde zich in 1611 reeds als geneesheer te Oirschot en volgde als zodanig meester Jacob Lintemans op, wiens zoon Philips Lintermans een artsenpraktijk te Oisterwijk aanvaardde. Oirschot was echter inmiddels in de 16de eeuw reeds een middelpunt van medische belangstelling geworden, toen Daniël van Vlierden, die te Bologna de doktorstitel behaalde, als dorpsgeneesheer van Oirschot fungeerde. Deze was wegens zijn buitengewone bekwaamheid in en buiten Nederland zeer gezien en werd ten slotte door Maria van Oostenrijk tot haar lijfarts uitverkoren. Maar Arnoldus Feij spande de kroon. Hij begon als kleermaker en harnas-maker, dus niet'als barbier. In een brief van zijn tijdgenoot L. Saen, attaché bij het Nederlands gezantschap te Londen lezen wij als volgt:. "Meester Feij was aanvangs maer een kleermakersgast, daerbij hij dan het harnas maken, daerdeur kennisse kreeg van die accidenten 't welck hem aenlijding gaf om op die saeke te studeeren ende wat na te vorschen ende eenige middelen daartegen te versionen ende te probeeren, waerdoor hij eindelijk tot sulck een beroemde meester in de kunst is geworden." Van heinde en ver togen in de tweede helft der 17de eeuw armen en rijken, katholieken en protestanten, leken en religieuzen uit geheel Nederland, uit Frankrijk, Duitsland, Engeland en andere Europese landen naar Oirschots vermaarde wonderdokter, om hun kwalen door hem te laten behandelen. Het is bekend, dat hij niet alleen chirurg was, maar ook oogarts en internist. Onder zijn patiënten behoorden de koningin-moeder van Frankrijk, de kinderen van raadpensionaris Johan de Wit, de keurvorst van Brandenburg, gravin Amalia van Solms en andere prominente persoonlijkheden. Geen wonder, dat hij naast roem ook grote rijkdom vergaarde. De gravin van Solms liet voor Feij uit dankbaarheid voor haar genezing in de Koestraat te Oirschot het bekende "Hof van Solms:` bouwen. Van Silvester Lintermans, broer van de eerder vermelde geneesheer Philips Lintermans, verkreeg hij
na de vlucht van de Oirschotse Carmelitessen hoff ende aenstede mette huisingen daer de religieusen in gewoont hebben", een perceel van in totaal 10 lopen. Feij was bovendien eigenaar van een aantal respektabele huizen en landerijen. Van het Franse hof ontving hij een zware gouden keten met medaille en een ivoren Christusbeeld, belegd met edelstenen, en een doos, versierd met vele diamanten. De Franse koning benoemde hem bovendien tot ridder in de orde van St.-Michiel. Frederik Willem, keurvorst van Brandenburg, verhief hem ten slotte tot heer van Kranenburg in Duitsland. De groten van zijn tijd wedijverden als het ware om de vriendschap en gunst van de grote meester. De regenten van Oirschot hebben hem herhaaldelijk de plaatselijke heerlijkheid aangeboden. De ingezetenen van de hertgang Kerkhof boden hem eens 8000 gulden aan, om de halve heerlijkheid van Hilvarenbeek en het kasteel Ten Bergh te Spoordonk te kunnen kopen. Meester Feij bleef echter pertinent weigeren. Wel heeft hij enige keren op verzoek van de Oirschotse schepenen met sukses bij het Franse hof gepleit voor remissie der Oirschotse belastingen in verband met misoogsten en inkwartiering van troepen.
Wie het prachtige portret van Arnoldus Feij heeft gezien ontkomt niet aan de indruk, dat de 17de-eeuwse kunstenaar die het gemaakt heeft voor een uiterst markante figuur moet hebben gestaan, waarin zich weerspiegelden een scherpe, bruuske, berekenende en doortastende geest en sublieme kennis, vermengd met bijna lompe spot. Zijn attestaties aangaande allerlei sterfgevallen (gemeentearchief Oirschot) zijn met uiterste precisie geformuleerd en ademen een koud zakelijk realisme. Doktor Arnoldus Feij was een uitstekend chirurg en arts, een zelfbewuste strever en een koppige boer in edelmanskleren. Mijns inziens korrespondeert het beeld van Arnoldus Feij, zoals wij dit kennen uit de Oirschotse archivalia geheel en al met de figuur op het doek van de nog onbekende kunstenaar uit de 17de eeuw. Hierbij moge ik thans nog voegen een soortgelijk portret, dat een zekere Coenraad Droste, die Feij heeft bezocht, door volgende "dichterlijke ontboezeming" heeft uitgebeeld:
"De Meijerij is vol van diergelijcke slooten,
In wiens streek, voor en naer, ik heb vermaek genooten,
Wanneer mijn waerde Moeij haer oogen pellen liet,
Hetgeen door Meester Feij tot Oirschot is geschiedt.
Wij waren daer geweest twee jaeren van te vooren,
Maer hebben van den reijs d'onkosten doen verlooren,
Omdat niet rijp genoeg hij nog de schellen vond,
Dus onverrigter saek hij Moeij naer Dordtrecht sondt,
Die daer en daer, weerom tot Oirschot is gekomen,
Alwaer deseifde man het werk heeft ondernomen,
Nadat zij met gedult de tijd had afgewacht,
Dat in bequamen staet de vliesen sijn gebracht.
Haer susters sijn bij haer veel daegen toen gebleven,
En om haer dienst te doen, haer nichten ook en neven:
Daer wij vermeerderden de menschen saem vergaert,
Omdat die man alom door heelkunst was vermaert.
Elk spoedde zich daerheen, die kwaelen kwam te lijden,
Den kanker uijt een borst kon niemant beter snijden:
De wennen als een bult bondt hij van't lighaam af.
Al was hij lomp en boers, hij wist sich te doen gelden
Door menschen, die de sieckte of ongemacken knelden.
Gesonden sijn daer ook veeltijds na toe gegaen,
Of uijt vermaek of om hun vrienden bij te staen.
Men leefde met malkaer gemeensaein sonder duchten
Verdrijvende den tijd eenvoudig door genuchten.
De vrouw van Barendrecht bekwaam weer haer gerecht
Van't eene oog: 't ander was soo wel als dat gelicht,
Maer mits sij niet een week was stil int bed gebleeven
Hadt d'afgestreckte schel voor d'appel sig verheven,
En sij, reeds oud, die dus haer selfs behelpen kon,
Wouw des niet dat den Boer sijn hantwerk weer begon.
Die had volkomen eer daer willen door behaelen,
Dog sij genoeg voldaen liet hem zijn loon behaelen
En trok met ons terug in Hollants eerste stad."

Ook hieruit blijkt, dat Arnoldus Feij geen zachte heelmeester is geweest. Hij wist, wat hij ging doen en eiste van zijn patiënten volledige overgave. Hij ging echter nooit over één nacht ijs. Voorafgaande aan zware operaties liet hij de zieken ten overstaan van de Oirschotse schepenen een verklaring afleggen, dat zij met de ingreep volledig akkoord gingen en hem bij een eventuele mislukking niet aansprakelijk konden stellen.
Feij was dus bij al zijn doortastendheid en ondanks zijn vaak lompe manieren een zeer voorzichtig man, wanneer het erom ging zijn eigen persoon juridisch te beveiligen. Maar hij was dan ook voor Oirschot en de gehele Kempen de grote geneeskundige weldoener, die van zijn gaven arm en rijk liet profiteren.
Na zijn benoeming tot heer van Kranenburg heeft Feij zijn geboorteplaats niet meer teruggezien. Ondanks zeer aanlokkelijke aanbiedingen bleef hij een terugkeer naar Oirschot afwijzen. Hij overleed in 1679 te Kranenburg alwaar hij in de kollegiale kerk werd begraven. Maar de zerk van de grote heelmeester bevindt zich thans in de St.- Pieterskerk te Oirschot achter het hoogaltaar. Oirschotse patriotten hebben deze met behulp van de geallieerden na de tweede wereldoorlog "vreedzaam" uit de kerk van Kranenburg "geroofd". Wat de 17de-eeuwse Oirschottenaren niet hebben kunnen bereiken, namelijk de terugkeer van hun wonderdokter, werd eindelijk toch na 300 jaar zij het dan in zekere zin symbolisch door hun nazaten verwezenlijkt. Zijn zerk heeft een ereplaats gekregen in de oude St.-Pieterskerk, die circa 60 levensjaren van de grote meester van zeer nabij heeft kunnen bezien en beluisteren.