Hof van Solms - Vermaarde geneeskunst (1633)  

Arnoldus Fey geinteresseerd in de Vughtse tiend

Kappelhof, A.
Campinia, jaargang 7, nummer 28

Het hele leven van Arnold Fey is doorspekt met sensationele gebeurtenissen en zijn methoden zouden in onze tijd zeker niet voor wetenschappelijk doorgaan.

 

Desalniettemin stelden velen waaronder zelfs het hof van koning Lodewijk XIV van Frankrijk en de prins van Oranje hun vertrouwen in hem. Dit alles heeft hem bepaald geen windeieren gelegd en hij eindigde zijn leven in 1679 zelfs als heer van Kranenburg, een plaats in het hertogdom Kleef. Op zijn kosten werd het fraaie huis "Hof van Solms" gebouwd, dat nu nog een van de voornaamste monumenten van Oirschot vormt. In de archieven van de Duitse Orde te Vught trof ik kort geleden een ander bewijs aan voor de rijkdom, die Fey had weten te vergaren en die hij graag in onroerend goed wilde beleggen (1).
In 1662 besloot het kapittel van de balije Oudenbiezen van de Duitse Orde in een vergadering te Maastricht bijeen de commanderij van Vught op te heffen en haar goederen te verkopen. Commanderij is de naam voor een vestiging van deze geestelijke ridderorde, die aan het eind van de 12de eeuw werd gesticht en tot 1525 haar hoofdzetel had in het verre Oost-Pruisen (thans Pools gebied). De orde was onderverdeeld in balijen en deze op hun beurt weer in commanderijen. In het midden van de 13de eeuw ontstond de commanderij van Gemert en waarschijnlijk pas in het eerste kwart van de 14de eeuw de commanderij van Vught. Laatst genoemde commanderij is altijd zeer bescheiden van omvang geweest. Haar bezit bestond uit de tienden van de Vughtse St. Lambertusparochie, uit een handjevol cijnzen en pachten en uit het commanderij-huis met enige belendende percelen, gelegen tegenover de St. Lambertuskerk van Vught.
In 1639 hadden de Staten-Generaal beslag laten leggen op de goederen van de commanderij van Vught en sedertdien was een normale gang van zaken voor de Duitse Orde onmogelijk geworden. Men besloot derhalve tot de liquidatie over te gaan. In 1663 werd de plaats van het aan het eind van de 16de eeuw verwoeste commanderijhuis voor f 5000,--verkocht, in 1670 volgde het Masschereelshuis in de St. Jorisstraat in 's-Hertogenbosch. Het meest waardevolle bezit waren echter de tienden, waartoe behalve de tienden van de St. Lambertusparochie van Vught ook nog de Oude Tiend in de St. Petrusparochie van Vught behoorden. Uit enige bewaard gebleven brieven blijkt, dat in 1669 Ambrosius Virmundt, commandeur van Gemert, hiertoe gemachtigd door het kapittel van de balije Oudenbiezen in onderhandeling was met Arnold Fey, die graag de tienden wilde kopen. Op 18 juni 1669 schrijft Arnold Fey, dat hij zo spoedig mogelijk uitsluitsel wil en dat hij het benodigde geld al gereed heeft liggen. De koopprijs zou f 40.000,-- moeten bedragen. Hij dringt aan op spoed, want, zo zegt hij, ik wil mijn "capitael" niet renteloos onder mij houden en daarom weten, of de koop doorgaat. Nadat de commandeur van Gemert aan zijn overste dit bericht heeft doorgegeven, schrijft deze op 28 juni daaraanvolgend, dat de verkoop voor het genoemde bedrag wat hem betreft door mag gaan. Na het sluiten van een voorlopig koopkontrakt moet het kapittel de transactie nog bekrachtigen, maar het is nog niet bekend, wanneer men bijeen zal komen wegens de zich in Maastricht, de vergaderplaats, nog steeds uitbreidende besmettelijke ziekte. De landcommandeur schrijft te hopen, dat ook zij niet getroffen zullen worden (vermoedelijk gaat het hier om de nest, die in dat jaar op meerdere plaatsen in de Spaanse Nederlanden woedde, b.v. in Brussel).
Kennelijk is men niet tot overeenstemming gekomen, want in 1670 wordt nog gecorrespondeerd over de belegging van de koopsom in schuldbekentenissen die een rente geven van 3%. De koop moet inderdaad niet zijn doorgegaan, want de Duitse Orde zou de tienden ongestoord blijven bezitten tot de komst van de Fransen in 1794 toe. Heeft de vlucht van Arnold Fey in het voorjaar van 1672, voorafgegaan door een vertraging omdat men het niet eens kon worden, de uitvoering van het plan verijdeld? Een koopsom van f 40.000,-- voor de gehele tiend is voor die tijd een zeer groot bedrag en bewijst, dat Arnold Fey in die tijd een zeer gefortuneerd man geweest moet zijn.
We hebben ons nog afgevraagd, of dit bedrag niet te hoog was en daarom een berekening gemaakt van de opbrengst van de Vughtse Tiend. Als graanprijs werd de gemiddelde prijs van de rogge in 's-Hertogenbosch genomen en voor de opbrengsten van de Vughtse Tiend kon geput worden uit de archieven van de Duitse Orde (2). De uitslag van dit stukje rekenwerk luidt, dat Arnold Fey had kunnen rekenen op een rendement van ongeveer 4,5% op zijn geïnvesteerd kapitaal. Gezien de rentestand die in die dagen in de regel op 4 á 4,5% heeft gelegen en soms zelfs maar 3% bedroeg (zie hierboven), was dit dus volkomen verantwoord. Als tiendbezitter kon de kapitaalkrachtige Fey zelfs nog wachten met het verkopen van zijn rogge en boekweit totdat de graanprijzen sterk waren gestegen. De tiend werd immers grotendeels in natura geïnd. Met name in het voorjaar, wanneer de oude voorraden uitgeput begonnen te raken, stegen de prijzen nog tot boven het peil, waarop deze berekening is gebaseerd.

Noten
1. Archieven van de Duitse Orde te Vught (Rijksarchief in Noord-Brabant) nr. 199 (nieuwe inventaris).
2. Zie voor de roggeprijzen het oud-archief van de stad 's-Hertogenbosch (gemeentearchief 's-Hertogenbosch), nr. A 180 (Notulenboek schepenbank 1698 - 1700), f 61r-62v en voor de opbrengsten van de Vughtse tienden: Archieven van de Duitse Orde te Vught, nrs. 200 en 232.