Heilige non - Maria Margaretha der Engelen (1644)  

Het lied van de Oirschotse non

Brok, H.
Brabants Heem, jaargang 28, 1976

Vergroot beeldmateriaal

De in Tilburg door Johannes van Groenendael op 24 november 1763 op schrift gestelde tekst blijkt ontegenzeglijk een zeer oude versie te zijn van een lied, dat verhaalt van de wonderen die er te Oirschot zijn voorgevallen door toedoen van de non Maria van Valckenissen of Maria Margaretha ab Angelis, met name van de wondere voorvallen met haar lichaam na haar dood in 1658. De erin opduikende herhalende zinnen en rijmparen maken het zelfs mogelijk het lied uit 1763 grotendeels te rekonstrueren, al raken we op een enkele plaats even de oorspronkelijke struktuur kwijt. Dat laatste moet wel veroorzaakt zijn doordat de schrijver het lied uit het hoofd genoteerd heeft: bij kopiëring zou hij namelijk de oorspronkelijke regel- en strofe-indeling wel gehandhaafd hebben.

Als wie wil hooren men saltu singen
al water te oorschot al is geschiet
t is een zoo wonderlyke dingen
gelyk gij sult hooren al in het liet 2)
het schrikkeliaers wordt daer gehouden
een klooster daer men
des woorden wou sij onderhouden
gelijk ons van iedereen wort geleert
het oytse nonneke al datter woonde
de nie als Bidden vroeg ende laet
om datter Godt op soude Geeven
die wonde die Franciscus dagt 3)
Toen sy was doodt en overleden
t heele Klooster met druck belaen
sy hebben het lighaem opengesneeden
en t ingewant daenuytgedan
wat hebbense in haer magetdom gevonden
drie dubbel steenen vraaij van vatsoen
al daer die woorden bedeijd af stonden
gelijk sij ook die ander doen
wat hebben sij in hertie gevonden
drie spijkers die desmittermaek 4)
o Godt syn dat geen wonder werken
wie weet wat dat gheduijie mag
eenen kelder hebben sy laaten Bouwen
daer hebben sij het lichaam al ingedaen
om dat die anden nonnekus soude weeten
hoe het nog met haar afloopen sou
toen sy ses jaer doot had geleegen
in de Plaets dat sy verot sou syn
heeft sy nog schoonder kleur
nog schoonder als den sonnescheijn
daer is een wond in haer seij gekoomen
daer is vol oly uyt gegaan
sij hebbet met doekies op genomen
die nog een Dartig vlesse staen
den olijis liefelyk om te ruijken
het is ten olij al vande smagt
daer men nog siekte me kan geneesen
voor jemant die pijn of smerte Draagt
die vanden Bos hebbet vernoomen
sij syn gekoomen al in den Nagt
sy hebben t lechaam opgenoomen
en al na den Bos gebragt
al na Bos al na de kerke
daer men sintien die eere plagt
o godt sijn dat geen wonder werken
wie weet wat dat beduijie mag
dieander nonnekes moeste vluchten
t heele Klooster wird beiaag
hier namals vindt men nog meer genugten
voor iemand die tegenspa 5) verderaagt

De ontdekking en identifikatie van het handschriftje is interessant, omdat de jongste gebeurtenissen die erin verhaald worden, de ontvoering Maria Margaretha's lichaam naar Den Bosch en haar begrafenis in de St.-Janskathedraal, slechts 100 jaar ervoor in 1663 plaatsvonden. Bovendien blijkt uit de wijze waarop de tekst door Johannes van Groenendael genoteerd werd dat het lied al bestaan moet hebben voor 1763. Het mag dan ook geen toeval genoemd worden dat hetgeen erin bezongen wordt teruggaat op precieze historische gegevens. Ik moet evenwel een kanttekening maken bij wat onder „historische gegevens" verstaan moet worden. In de tijd, waarin de gebeurtenissen te Oirschot zich afspelen, werd de godsdienst in ons land beheerst door de Hervormden en werd het Carmelitessenklooster in Oirschot, dat in 1644 gesticht werd en waarvan Maria Margaretha tot haar dood abdis was, slechts oogluikend geduld, omdat het onder speciale bescherming stond van o.a. Prins Willem II. Toen zich nu vanaf 1658, na de dood van Maria Margaretha, het nieuws verspreidde van de wondere voorvallen met haar lichaam, kwam de situatie heel anders te liggen. Talloze pelgrims trokken naar Oirschot en — de druppel die de emmer deed overlopen — de Franse koning Lodewijk XIV verzocht nota bene de Staten om een beetje olie uit het lichaam van Maria Margaretha voor de genezing van zijn dochtertje Anne Elisabeth.

De bekendmaking van dit alles door Pieter Casteleyn in de Hollantse Mercurius 6) van juli 1663 in onvervalste antiroomse verdachtmakingen („Andere stroyden grover dingen / men sprack als van Miraculen: Ommers 't geheele Dorp voer wel / mits de dagelijckse gaende en komende Patienten (. . .)") werd de direkte aanleiding voor de Hervormden alle geruchten definitief de kop in te drukken. Het lichaam wordt zoals gezegd ontvoerd naar Den Bosch en een kommissie onder leiding van Lodewijk de Bils, Heer van Coppensdamme, verricht sektie en stelt vast dat er sprake moet zijn van bedrog. De Acte van d'Examinatie, gedaen aen het doode Lichaem van wijlen Juffrouw Marguarita Valckenisse, gevonden tot Oirschot vermeldt onder meer „De Geur van het selve Lichaem was onlieffelijck, als gemulmt hout, of wel als Dootsbeenderen, die men vers uyt de Graven werpt". Bovendien is haar lichaam „stijf" en „onbewegelijck" en bleek „dat het lighaam door kunst gedeeltelyk voor volkomen verrotting bewaard was". 7) Tegenover deze vernietigende verklaring 'staan echter een aantal verklaringen die precies het tegengestelde bevestigen en het is nauwelijks bevreemdend dat juist die verklaringen van roomse zijde afkomstig zijn. Kronenburg 8) wijst er met name op dat de Bossche onderzoekskommissie met 9 protestanten en 5 katholieken wel erg onevenwichtig was samengesteld. Bovendien distantiëren zich later nog 2 van de 5 katholieke ondertekenaars van de Acte van d'Examinatie . De verdachtmakingen vliegen over en weer en deze splitsing zal voortduren bij de geschiedschrijvers van de gebeurtenissen in Oirschot. Het is niet aan mij achteraf een uitspraak te doen in deze zaak en dat is ook eigenlijk de kwestie niet. De waarheid bij dit soort zaken is niet meer maar ook niet minder dan wat men als waar gelooft en het is in feite daarvoor niet van belang hoe de zaken achteraf verklaard zouden kunnen worden. Van Duinkerken 9) merkt in 'n wat verwijderd verband hierover op „Er is misschien met,geen artikel zo gezwendeld als met de vererenswaardige overblijfselen van Gods lieve heiligen ( . . ). De vraag (naar de echtheid van relikwieën. HB.) wordt onverschillig ten opzichte van de lange traditie ( . . . )". Terug naar het lied van de Oirschotse non, want daar gaat het me in feite om. Door de publikatie van het unieke handschriftje uit 1763 was ik er indirekt oorzaak van dat er nóg 12 versies van dit lied opdoken, die circa 250 jaar, ja zelfs 300 jaar na dato opgetekend zijn in het oostelijke deel van Noord-Brabant. Negen van die varianten werden me bezorgd door Prof. Michels uit Nijmegen, die in 1948 inEdele Brabant een oproep plaatste voor de tekst van dit lied '°), en 3 varianten trof ik aan op de afdeling Volkslied van het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde in Amsterdam. Dit bureau heeft twee van deze varianten nog in 1962 en 1971 op de band weten vast te leggen. Het is dus goed mogelijk dat het lied van de Oirschotse non ook nu nog op andere plaatsen bekend is en zelfs nog gezongen wordt. Vermoedelijk hoeven we daarbij geen vindplaatsen buiten oostelijk Noord-Brabant te verwachten, omdat de plaatsen, waar varianten genoteerd konden worden, slechts een relatief klein gebiedje beslaan met Oirschot als middelpunt. Ter vergelijking met de oudste versie laat ik hieronder de varianten volgen en met mij zult u wel verrast zijn door de grote overeenkomsten.

VARIANT 1

Door G. Beex op 19-2-1948 opgetekend bij dhr. G. van Beers (Hoogeloon), geboren in Oirschot. In deze plaats bracht deze ook zijn jeugd door en leerde hij het lied kennen.

Vrienden luistert naar mijn lied
wat duidelijk zal verklaren
wat in Oirschot is geschied
voor meer dan duizend jaren

Voor Trezia staat daar gebouwen
Een klooster waar men deez' maagd eert
En haar streng order wielt onthouwen
Zoals een ieder heef geleerd

Zij was een Non heilig van leven
En bad God vurig vroeg en laat
Waarop de Heer haar heeft gegeven
De wonden die Franciscus draagt

Zij had den Heer dikwijls gebeden
Dat haar lichaam in olie zou vergaan
Om in de kerk te verteren
In de Mis voor 't heilig Altaar

Er is een wond in haar gekomen
Waar veel olie is uitgegaan
Hij werd met doeken opgenomen
In meer dan dertig flessen gedaan

Aangenaam en geurig riekend
Is de olie van deez' reine Maagd
Zeer verzachtend voor veel zieken
en den mens met pijn geplaagd

Toen zij zes maanden had dood gelegen
In plaats dat zij verrot zou zijn
Heeft zijn een heldere kleur gekregen
Veel schoner dan de maneschijn

Wat hebben ze op haar hart gevonden?
Twee dobbelstenen van fatsoen
Waarop alle oogjes stonden
Zoals ze op een anderen doen

Wat hebben ze in haar maag gevonden?
Twee spijkers zoals de smid ze maakt
Zij werd van duizenden aangekeken
En van een ieder aangeraakt

Er zijn uit den Bosch gekomen
Bij grote hopen in de nacht
Hebben zij' t lichaam meegenomen
En naar 's Hertogenbosch gebracht

's Hertogenbosch ligt zij begraven
Met zwarte aarde overdekt
Daar zal zij ten jongsten dage
Door God worden opgewekt

(Hier hoort ook nog bij het volgende incomplete couplet:
Men ging voor haar een kelder bouwen
van meer dan veertig trappen diep
om zo het lichaam te behouen . . .)

VARIANT 2A

Door J. Mes-Van Besouw op 11-2-1948 opgetekend bij een niet met name genoemde inwoner van Goirle („ 't oude menske").

Een brave non die in een klooster woonde
Deed niets dan bidden dag en nacht
Omdat Onze Lieve Heer haar zoude geven
De wonden die Fransiscus draagt.

Toen heeft zij een wond in hare zijde gekregen
Daar is veel olie uit gegaan
Dien olie was er zoo liefelijk om te ruiken

Toen hebben ze dien olie meegenomen
En hebben ze in zeven flesschen gedaan
Het was om zieken mee te genezen
Voor diegenen die pijnen of smarten draagt

Zij hebben een kelder laten bouwen
Omtrent van veertig trappen diep
Toen hebben ze daar het lichaam in gedragen
Waarvan geen zon of maan iets ziet

Toen het dáar vijf jaren had in gelegen
In plaats dat het vergaan zou zijn
Heeft zij nog een schonere kleur gekregen
Zij blonk als eene zonneschijn

Daar hebben ze een tempel laten bouwen
Daar zal zij rusten tot aan het einde der dagen
Dat zij van God wordt opgewekt

VARIANT 2B

Door J. Mes-Van Besouw op 1-2-1948 opgetekend. Ze hoorde het lied 55 jaar geleden zingen door „onze oude dienstbode" uit Goirle.

Een oude Non die in een klooster woonde,
Deed niets dan bidden, dag en nacht (bis)


VARIANT 3

Opgetekend door Marietje van Heeswijk uit Schijndel op 3-2-1948.

Kom vrienden wil mij lied aanhoren
Luister met aandacht naar mij lied
Ik zal gewis je hardt door boren
Wat er in Oorschot is geschied (2 x)

De oudste non die in het klooster diende
Deedt niets dan bidden dag en nacht
Omdat zei wel eens wilde krijgen
De wonden die Fransiscus hadt (2x)

Ze kreeg een wondt in de rechter zeiden
Daar kwam veel olie uit gevloed.
Het was olie om te genezen
Van alle ziekten smart en pijn (2 x)

De non werd ziek en overleden
Het hele klooster stond in rouw
Omdat zei wel een's wilden weten
Hoe het met dezen maagd gaan zou (2 x)

Toen hebben zei een kelder gegraven
Van meer dan dertig voeten diep.
Daar hebben zei het lichaam in begraven
Dat geen zon of maan meer ziet (2 x)

Het is ruim driehonderd jaar geleden
Dachten dat ze verteerd zou zijn.
Maar ze hadt nog schoner kleur gekregen
Noch schoner dan de zonneschijn (2 x)

Toen zijn er uit den Bosch gekomen
Gelijk als dieven in de nacht
En hebben ze het lichaam meegenomen
En naar 's Bosch gebracht (2 x)

In de Sint Jans kerk licht ze begraven
Met zwarte aarde over dekt
Totdat zei rust in de 's jongste dagen
En eens door God is opgewekt (2 x)


VARIANT 4A

Opgetekend door de Fam. Dreverman uit Mierlo op 1-3-1948 met de opmerking „Het is meschien nog wel wat langer maar wij weeten het niet meer".

Komt vrienden luister naar mijn lied,
wat er in Oorschot is geschiet
de ouwst non die daar in woonde
deedt niets dan bidden dag en nacht
omdat zij wel eens wilden weeten
de wonde die franssik had
Zij kreeg een wond in haare zeijde
en daar kwam olie uit gevloed
en dat was olie al om te geneezen
voor alle ziekten pijn en smart
de non werd ziek en overleeden
het heele klooster was in rouw
omdat zij wel eens wilden weeten
hoe het met deze maagt gaan zou
het is meer dan drie hondert jaaren Geleeden
in plaats dat zij verteert zoww zijn
heeft zij een schooner kleur gekreegen
nog schooner dan de zonneschijn
zij zijn al uit de boch gekoomen
Gelijk een dief al in de Nacht
zij hebben het Liechaam meede genomen
en naar Setoogen boch gebracht
in de sintjans kerk licht zij begraaven
met zwart aard over dekt
in de sintjans kerk licht zeij begraaven
met zwart aard over dekt

VARIANT 4B

Verbeterde versie van variant 4A , door dezelfde familie op 4-3-1948 opgetekend.

Vrienden wilt mijn lied aanhooren
Luister met aandacht naar mijn lied
Het zijn zeer wonderlijke dingen
Die er in Oorschot zijn geschied

De non werd ziek en overleden
Het heele klooster was in rouw
Omdat zij wel eens wilde weten
Hoe het met deze maagd gaan zou

Zij kreeg een wond in hare zijde
En daar kwam olie uit gevloeid
En dat was olie om te genezen
Voor alle ziekte pijn en smart

t'is meer dan driehonderd jaren geleden
Inplaats dat zij verteerd zou zijn
Heeft zij een schoone kleur gekregen
Nog schooner dan de zonneschijn

Zij zijn al uit den Bosch gekomen
Gelijk een dief al in den Nacht
En hebben het lichaam meegenomen
En naar sHertogenbosch gebracht

In de St Janskerk ligt zij begraven
Met zwarte aarde overdekt
Opdat zij ruste in haar jonste dagen
Totdat zij van God werd opgewekt

Toen hebben zij een kelder gegraven
Van meer dan dertig meter diep
Daar hebben zij het lichaam inbegraven
Dat het geen zon of maan meer ziet

VARIANT 5

Opgetekend door Mej. van Helvoirt Vriens uit Tilburg op 2-4-1948. Ze leerde het lied ongeveer in 1908 kennen.

Er was een nonneke al in een klooster.
Deed niets dan bidden vroeg en laat
Dat zij de wondekens maar zoude krijgen
De wondekens die er Fransiscus draagt.

Zij kreeg een wondeke al in haar zijde
Er was veel olie uitgevloeid
Zij hebben daarom veel doeken gewonden
En wel in dertig flesschen staan.

Zij hebben voor haar een kelder laten bouwen
En wel van veertig trappen diep
Opdat die andere niet zouden weten
Al wat er met haar was geschied

Twee jaren lang heeft zij daarin gezeten
Men dacht dat zij wel verrot zou zijn
Toen is haar lichaam nog schoner geworden
Nog schoner als in de zonneschijn

De heren uit den Bosch zijn daar gekomen
Al bij het lichaam van deze maagd
Zij hebben het lichaam medegenomen
En hebben het naar den Bosch gebracht.

De zieke menschen die daar kwamen bidden
Ja kwamen bidden vroeg en laat
Zij hebben hun ziekte daar gelaten
En zijn gezond naar huis gegaan.

Plaatsen waar het lied van de Oirschotse non opgetekend werd.

VARIANT 6

Opgetekend door dhr. J. Bruurs uit Diessen op 12-4-1948. Hij zong het lied „tot voor 20 jaar". In een brief van 7-9-1957 zond pater K. Baerwaldt uit Grave aan Prof. Michels de bij deze variant behorende muziek.

Te Oirschot staat een prachtig klooster
Zoals men in de ronde ziet
Het zijn zo'n wonderlijke dingen
Die er in Oirschot zijn geschied.

De oudste Non al van dat klooster
Deed niets dan bidden dag en nacht
Omdat God haar zoude geven
De wonden die Franciscus draagt.

Zij kreeg een wond in hare zijde
Er is veel olie uit gehaald
Zij hebben het met doekjes al opgenomen
En wel in dertig flessen gedaan.

Het was den olie om te genezen
Het was den olie van deez Maagd
Het was den olie om te genezen
Voor wie pijn of smarten draagd.

Deze Non is toen gestorven
Geheel het klooster was in rouw
Ze hebben samen raad gehouden
Al waar zij 't lichaam laten zou.

Toen hebben ze een kelder laten bouwen
Van meer dan zestig trappen diep
Om daar het lichaam in te behouden
Waar nooit geen zon of maan doorziet

Toen zijn er uit den Bosch gekomen
Gelijk als dieven in den nacht
Zij hebben het lichaam al mede genomen
En naar Schertogenbosch gebracht

In de Sint Janskerk ligt zij begraven
Met zwate aarde overdekt
Daar zal zij rusten ten jongste dagen
Tot zij van God word opgewekt

Al honderd jaren heeft zij daar gelegen
In plaats dat zij vergaan zou zijn
Heeft zij een schoodere kleur gekregen
Nog schoner dan de zonneschijn

VARIANT 7

Opgetekend door M. Bergmans Moeskops uit Veldhoven op 2-5-1948. Zij (of hij?) kent het lied uit haar kinderjaren en weet niet zeker of haar versie kompleet is. Als vermoedelijke beginregel geeft ze „Vrienden wil mijn lied aanhooren".

't zijn zeer wonderlijke dingen
Die er in Oirschot zijn geschied

Een oude non al uit een klooster
Deed niets dan bidden dag en nacht
Opdat zij ook wel eens wilde weten
De wonden die Franciscus had.

Zij kreeg een wond al in haar zijde
Er was veel olie uitgegaan
Het was den olie om van te genezen
Van vele ziekten pijn en smart.

't is meer dan driehonderd jaar geleden
In plaats dat zij verteerd zou zijn
Heeft zij een schoonere kleur gekregen
Veel schooner dan de zonneschijn.

De Boschsenaars die zijn gekomen
Gelijk de dieven in den nacht
Ze hebben het lichaam meegenomen.
En naar 's Hertogenbosch gebracht.

Al in de Sint Jan ligt zij begraven
Met zwarte aarde overdekt
Daar kan zij rusten der jongste jaren
Tot zij door God wordt opgewekt.

VARIANT 8

Gezongen door Cath. Hendr. Strijbos v.d. Steen uit Veldhoven op 23-6-1962, geboren op 21-12-1921 in Veldhoven. Opname Afd. Volkslied nr. 030025.

Kom vrienden wil een lied aan horen
en luistert naar een wonder lied
Het zijn zeer wonderlijke dingen
die ja in Oirschot zijn geschied.

't Was d'oudste non die daar in woonde.
Deed niets dan bidden dag en nacht
Het was, dat God haar zoude geven
De wonde, die Fransiscus had.

Zij kreeg een wond in hare zijde
Er was geen olie uitgegaan
Het was de olie om te genezen
Ja alle ziekten, pijn en smart.

De non werd ziek z'is overleden
Het hele klooster was in rouw
Ze zouden wel eens willen weten
Wat met die maagd gebeuren zou.

Er zijn er drie uit den Bosch gekomen
Gelijk de dieven in de nacht
Ze hebben het lichaam mee genomen
En naar 's Hertogenbosch gebracht.

Ze hebben een diepe kelder laten graven
van meer dan zestig trappen diep
Daar hebben zij het lichaam begraven
Zodat het zon of maan meer ziet.

In de St. Janskerk ligt zij begraven
Met zwarte aarde is zij bedekt
Daar zal zij rusten ten jongste dagen
Totdat zij door God wordt opgewekt.

't Is meer dan honderd jaar geleden
inplaats dat zij verteerd zou zijn.
Heeft zij een schoner kleur gekregen
Nog schoner dan de zonneschijn.

VARIANT 9

Gezongen door Mw. A.M.C. DarisLommers uit Bergeijk op 10-9-1971, geboren op 21-12-1899 te Bergeijk. Opname Afd. Volkslied nr. 33057.

't Zijn zeer wonderlijke dingen
Die er in Oirschot zijn geschied.
De oudste non van heel het klooster,
Deed niets dan bidden dag en nacht,
Omdat God haar eens wilde geven,
De wonden die Franciscus had. (2 x)

Zij kreeg een wond in hare zijde,
Daar is veel olie uitgegaan.
Het was de olie om te genezen,
Van vele ziekten pijn en smart. (2 x)

De non werd ziek en overleden,
Ja heel het klooster was in rouw,
Omdat men wel eens wilde weten,
Hoe het met deze maagd zou gaan.
toen hebben ze een diepe kelder gegraven,
Ja meer dan zestig meter diep
En daar hebben ze haar lichaam in begraven,
Zodat de zon of maan meer ziet,
En toen zijn ze uit Den Bosch gekomen,
En hebben haar lichaam meegenomen
En daar zal zij rusten ten jongste dage,
Totdat ze van God wordt opgewekt.

VARIANT 10

Opgetekend door Mw. C.M.I,. SchelleHabraken uit Udenhout voor de Afd. Volkslied op 15-11-1975. Zij is op 25-8-1892 geboren te Tilburg en leerde het lied van haar ouders, die afkomstig zijn uit Oir' schot en Diessen.

Kom Vrinden Wilt een liedt aanhoren
Het geen in oorschot is geschiedt
Het zijn zeer wonderlijke dingen
Als die-in oorschot zijn geschiedt

Er was een non die in t klooster woonde
Deedt niets dan bidden dag en nacht
Omdat haar Godt eens wilde geven
De wonden die Fransikus draagt

Zij kreeg een wondt in hare zijde
Er is veel olie uitgegaan
Ze hebben het met doekjes opgenomen
En wel in dertig flessen gedaan

t is den olie om te genezen
t is den olie van deez kwaal
t is den olie om te gebruiken
Voor elk die pijn en smarten draagt

Het lichaam was doodt en overleden
Geheel het klooster was in rouw
En men wilde wel eens weten
Of hoe het met deez maagdt gaan zou

Ze hebben eenen diepe kelder laten bouwen
ja meer dan veertig trappen diep
Daar hebben ze het lichaam in behouwen
Dat nooit heeft zon of maan gezien

Het was reeds eeninge jaren geleden
In plaats het lichaam rot zal zijn
Heeft het een schoner kleur gekregen
Ja schoner dan de zonneschijn

Toen zijn die uit den bosch gekomen
Als dieven ja zo veel bij nacht
De hebben het lichaam meegenomen
En naar s Hertogenbosch gebracht

In de stint jans kerk ligt ze begraven
Met zwarte aarde overdekt
Daar zal zij rusten haar korste dagen
Tot dat ze door Godt wordt opgewekken

Geheel afwijkend is de versie van Fr. Caecilius O.Carm., die als enige in druk verscheen (in 1922) en die geheel zelfstandig gekoncipieerd werd:

VARIANT 11


Als we even afzien van deze laatste variant, dan valt onmiddelijk op dat hele stukken van de versie van 1763 behouden zijn. Sommige regels zijn zelfs letterlijk bewaard en ook de versstruktuur vertoont vaak verrassende overeenkomsten. Hier en daar is de volgorde wat verstoord of ontbreken koupletten, maar men moet daarbij bedenken dat het lied uitsluitend mondeling overgeleverd is. Met de varianten erbij kunnen we tenslotte nog eens de verschillende gebeurtenissen nalopen, die erin bezongen worden. Voor een uitvoerige en goed gedokumenteerde levensbeschrijving verwijs ik kortweg naar de studie van Kronenburg „Maria Margareta der Engelen" in het reeds in voetnoot 8 genoemde werk op blz. 130-185, omdat ik me wil beperken tot wat in het lied bewaard gebleven is. I I) Kronenburg besteedt uiteraard ook uitvoerig aandacht aan de kwestie van het lijk. Hij noemt het „eene geschiedenis in vele punten zóó vreemd" dat hij ze „slechts met de uiterste behoedzaamheid" neerschrijft. Hij volgt daarbij eigenlijk op de voet een studie van P.F.X. de Ram uit 1867, waarvan de titel alleen al — om nog even terug te komen op de historiciteit — geen twijfel meer laat over de partij die hij gekozen heeft. 12) De Ram baseert zich op zijn beurt op een autentiek (niet gepubliceerd) uit 1679 van Willem de Metser, geboren in Oirschot en “bachelier en theologie de Louvain et curé de Leefdael”, vlak bij zijn geboortedorp. Men kan zich voorstellen wat de strekking van dit rapport is, zeker als men erbij overweegt dat het geschreven werd op verzoek van de vicaris van het bisdom Den Bosch, losse Houbraken, en met machtiging van de aart- bisschop ván Mechelen, André Cruesen. Ik kursiveer in deze zin twee woorden om nog eens te benadrukken in welk kader het rapport opgesteld werd. Over de objektiviteit is daarmee natuurlijk niets gezegd, maar wel blijkt weer dat de verdedigers van de wonderen rond het lichaam van Maria Margaretha strikt beperkt zijn tot het katholieke kamp. In deze en andere stukken vinden we evenwel meer dan genoeg bewijsplaatsen voor wat in het Lied van de Oirschotse non verhaald wordt. We vinden erin terug:

  • de stigmata (in de versie van 1763 rgl. 11-12 staat slechts vermeld dat ze deze wonden begeerde; zo ook in var. 1, 2A, 3, 4A, 5, 6, 7, 8, 9 en 10. Variant 11 laat ik verder buiten beschouwing);
  • de opensnijding van haar lichaam (versie 1763 rgl. 15; zo ook niet ekspliciet in var. 1);
  • de verwijdering van haar ingewanden (versie 1763 rgl. 16; juist van Roomse zijde wordt deze ingreep fel bestreden!);
  • de daarbij gevonden dobbelstenen (versie 1763 rgls. 18 en 19-20; zo ook bijna identiek in var. 1);
  • en spijkers (versie 1763 rgl. 22; zo ook var. 1);
  • de kloosterkelder waarin zij begraven werd, in de bronnen zonder diepteaanduiding (versie 1763'rgl. 25-26; zo ook var. 1 (40 trappen diep), 2A (idem), 3 (30 voeten diep), 4B (30 meter diep), 5 (40 trappen diep), 6 (60 trappen diep), 8 (idem), 9 (idem) en 10 (40 trappen diep);
  • het gaaf blijven van haar lichaam „als zonneschijn" (versie 1763 rgl. 31-32; zo ook var. 1, 2, 3, 4A, 4B, 5, 6, 7, 8 en 10. In var. 9 evenwel een zinspeling op „zon"; zo ook in var. 3 en 10);
  • de olie uit haar lichaam (versie 1763 rgl. 34-36 (30 flessen '3)); var. 1 (30 fl.), 2 (7 fl.), 3 (veel), 4A, 4B, 5 (30 fl.), 6 (id.), 7 (veel), 8, 9 en 10 (30 fl.);
  • die geneeskrachtig is (versie 1763 rgl. 39-40; var. 1, 2, 3, 4A, 4B, 6, 7, 8 en 9. In var. 5 slechts een toespeling in de laatste strofe);
  • de wond in haar zijde 14) (versie 1763 rgl. 33; var. 1 („in haar"), 2A, 3, 4A, 4B, 5, 6, 7, 8, 9 en 10);
  • de ontvoering naar Den Bosch in de nacht (versie 1763 rgl. 41-44; var, 1, 3, 4A, 4B, 6, 7, 8 en 10. In var. 5 en 9 ontbreekt de tijdsaanduiding);
  • haar begrafenis in Den Bosch (versie 1763 rgl. 45-46 15); var. 1, 3, 4A, 4B, 5 (indirekt in de laatste strofe?), 6, 7, 8, 9 en 10);
  • met name in de Sint Jan (versie 1763 rgl. 26 IS); var. 3, 4A, 4B, 6, 7, 8 en 10);
  • de vlucht van de nonnen uit Oirschot (versie 1763 rgl. 49-50).

Zoals blijkt zijn bijna alle feiten, soms in andere volgorde, behouden in de twintigste-eeuwse varianten en met name de door dhr. G. Beex opgetekende variant 1 blijkt eigenlijk rechtstreeks aan te sluiten bij het „origineel" van 1763. Daarbij merk ik nog op dat ik niet eens álle historische bouwstenen gekontroleerd heb. Afgezien daarvan zijn er ook enkele nieuwe zaken ingeslopen, bijv. de begrafenis onder de zwarte aarde en de opwekking op de jongste dag. Een klein probleem levert de datering. In de versie van 1763 wordt vermeld hoe lang Maria Margaretha's lichaam onder de grond was voor het werd opgegraven, namelijk 6 jaar. 7) In de latere varianten vinden we daarvoor 6 maanden (var. 1), 2 jaar (var. 5), 5 jaar (var. 2A) en enige jaren (var. 10), een historisch gezien „redelijke" termijn dus, terwijl var. 6 en 7 met beide ca. 100 jaar niet juist kunnen zijn wat dit betreft. Naderhand is ingeslopen de vermelding van het aantal jaren dat verlopen is sinds de bezongen gebeurtenissen: var. 1, met meer dan 1000 jaar is niet juist, maar de varianten 3, 4A, 4B en 7 komen met hun ruim of meer dan 300 jaar redelijk in de buurt. De wat vreemde tijdsaanduiding het schrikkeliaers in strofe 2 van de oudste versie lijkt onjuist. Uit de kontekst kan wellicht begrepen worden dat hier bedoeld is het jaar van de stichting van het Carmelitessenklooster in Oirschot, namelijk het schrikkeljaar 1644.

Ik moet er niet aan denken konklusies te trekken uit bovenstaande. Evenmin was het mijn opzet de diskussies weer eens op te rakelen: Kronenburgs innige wens, de zaligverklaring van Maria Margaretha's), is door de veranderde tijdsomstandigheden eigenlijk alleen nog maar als historisch feit interessant. Het feit dat de omstreden gebeurtenissen in Oirschot van nu al meer dan 300 jaar geleden nog steeds (mondeling) voortleven is daarentegen van wezenlijk belang. Het zegt iets over wat men als waardevol wil behouden of als waardeloos verwerpt. De lezer mag zelf beoordelen of het in dit verband de moeite waard was vele uren arbeid in dit artikel te investeren.

Noten:
 

  1. H.J.T.M. Brok: „Het lied van de Oirschotse non" in Brabants Heem jg. 23 (1971), blz. 59.
  2. In het origineel is het einde van deze strofe onleesbaar. Het rijmschema wettigt m. i. de rekonstruktie liet.
  3. Lees: dragt „draagt".
  4. Lees: de smitter maek, dus „drie spijkers zoals de smid ze maakt".
  5. Lees: „tegenspoed" (?).
  6. Hollantse Mercurius, Vervatende De voornaernste Geschiedenissen, Voorgevallen in het gantsche Jaer 1663, in Christenryck. Deel 14 (Haerlern 1679), blz. 97.
  7. A.w. blz. 97-98.
  8. J.A.F. Kronenburg C.S.S.R.: Neerlands Heiligen in later eeuwen. Deel II (Amsterdam 1908 2e druk), blz. 180.
  9. Anton van Duinkerken: „Bedevaarten en processies" in Dux jg. 26 (1959), blz. 203-204.
  10. L.C. Michels: „Een vraag over de „Oirschotse Non" uit de 17e eeuw" in Edele Brabant jg. 2 (1948) nr. 14, blz. 6. De reakties die hij hierop kreeg zijn nooit gepubliceerd. Prof. Michels schonk in 1971 al zijn materiaal met betrekking hierop aan de Nijmeegse Centrale voor Dialect- en Naamkunde.
  11. Aan het door Kronenburg genoemde materiaal dient inmiddels toegevoegd te worden: Iacob van Oudenhoven: Een nieuwe ende vermeerderde Beschryvinge van de Meyerye van' s Hertogen-Bosche (. . .). 's Hertoghen-Bossche 1670 (2e druk), blz. 57, Historia Episcopatás Silvaeducensis (. . .). Bruxellis 1721, blz. 315, Steph. Hanewinkel, H.C.Fil.: Geschied- en aardrykskundige beschryving der Stad en Meiëry van 's Hertogenbosch. Nymegen 1803, blz. 415-417, Lud. Henr. Christian. Schutjes: Geschiedenis van het Bisdom 's Hertogenbosch. Deel 5 (St. Michiels-Gestel/ 's Bosch 1876), blz. 375-378, J. de Kroon (vert.): De heilige non van Oirschot. Leven van Moeder Maria Margaretha der Engelen 1605-1658. 's-Hertogenbosch (1932) — niet door mij geraadpleegd — en Jac. J.M. Heeren: „De Oorschotsche Non" in Uit de Geschiedenis der Nederlandsche Gouwen. Stad ende Meierij van 's Hertogenbosch. Utrecht 1933, blz. 79-98.
  12. P.F.X. de Ram: Hagiographie Nationale. Vies des Saints et des personnes d' une éminente piété qui ont vécu dans les anciennes provences Belges. Tome II (Louvain 1867), blz. 162-188.
  13. Kronenburg a.w., blz. 184 vermeldt slechts dat er bij de vlucht van de nonnen uit Oirschot nog 36 flessen over waren.
  14. Kronenburg a.w., blz. 172 geeft „op eene plaats".
  15. Impliciet. Deze strofe is bovendien vermoedelijk korrupt, gezien de rgls. 47-48 die ook als rgls. 23-24 terug te vinden zijn.
  16. Sintien dus te lezen als sintian „Sint Jan".
  17. Kronenburg a.w., blz. 173 geeft: 2 jaar.
  18. Kronenburg a.w., blz. 184-185.