Dorpsdrama's - Rampen en doodslag (1838)  

Moord in de Oase

Loo, Th. van de.
Van den Herd 2006-03

Vergroot beeldmateriaal

Vóórdat de snelweg Tilburg-Eindhoven er lag, liep er een fietspad met daarlangs een zandweg met diepe karsporen naar Eindhoven, richting Legerplaats. Later zijn beiden verhard. Ge moet het viaduct met de harde weg en het langslopend fietspad dat er nu ligt, wegdenken. Niks geen autoverkeer, hoogstens een boeren erdkar, die kwam uit het Ekersven, van het Paterskuiltje of gewoon uit de hei. Ook regelmatig de platte kar van Graard van Hersel met tonnen etensafval van de soldaten. Graard mende het paard, maar veel hoefde hij de teugels niet te hanteren want tegenliggers waren er zeldzaam en het paard wist de weg naar het dorp. Wat het paard ook kende? De oude tramwagen van Floor en Martha Kroon. De tramwagen, met erachter wat hokken waarin men huisde en sliep, lag langs het fietspad in de bosrand en een eindje schuin erachter woonde de hennenpriester Ant. Donders, die ooit bij Ford in Detroit gewerkt had.

Daar kwam allerhande volk, ook veel soldaten, en natuurlijk Graard (want het paard hield er stil) en wat volk van de hei en van Eindhoven. Veelal goei volk, ‘mêr ’t heugsel ging daar dikwijls uit’ zoals we vroeger in Oirschot zeiden. Veel bier en stiekem een borreltje waren schering en inslag. Natuurlijk ook snoepgoed voor de dagjesmensen en de jeugd, die zich in een eenvoudige speeltuin konden vermaken. Zoals gezegd: er kwamen Jan en Alleman en het ging er ooit gezellig en gemoedelijk aan toe. Van uitspattingen heb ik nooit gehoord. Floor kwam, als ik me niet vergis, uit Rotterdam en Martha was een Groningse. Ze ‘boerden’ er goed en leefden vredig en genoten volop van de sociale contacten. Wellicht was er wel eens iemand dronken, maar dat komt in de beste families voor, zeker in het toenmalige Oirschot. Martha zong altijd van ‘Alle rode kool is rood, alle groene kool is groen en als je zwaar bezopen bent geef je je schoonmama een zoen!’ Er was een zeker Januske, die wel eens te diep in het glaasje keek en als er dan ’n rondje viel zei Martha: “en jij, Januske, krijgt niks want je bent zo’n vies manneke”. Janus antwoordde dan: “Ik krijg ôk wê, ouw wijf”. In die geest ging het eraan toe.

Martha nam ’t op kleine schaal niet zo nauw met het mijn en dijn als het aankwam op spullen die de Heer in de vrije natuur in overvloed gestrooid had. Zo herinner ik me dat er ooit een feestje in ‘de tent’ gegeven werd toen één van de vaste bezoekers iets te vieren had. Martha zou een goeie, stevige pot koken en die zou verorberd worden onder het genot van het nodige vocht. Het zou zeker een prettige avond worden. Ze had al het nodige gerei voor het klaarmaken in huis. Er moest nog wel vlees gehaald worden op De Sport in Boxtel (de NCB-winkel) en aardappelen en groenten. Het feestvarken mocht zeggen wat hij graag at en die koos voor spruiten (het zal wel in de voorwinter geweest zijn als de nachtvorst de spruiten lekkerder maakt). Maar Martha had geen spruiten (trouwens ook geen kinderen!) en destijds waren de groenten nogal prijzig. Ze had echter een oplossing: ze gaf gewoon een jongeman met de mooie naam Steef de opdracht maanspruiten te gaan plukken. De jeugdige, onbezoedelde Steef dacht dat het een bekend merk groente was en vroeg aan Martha waar die te krijgen waren. “Maanspruiten dat zijn spruiten” zei de kasteleinse, “die je bij maanlicht pikt! Dicht bij het Nonnenbos aan de Wintelresedijk staan er genoeg. Een kôksel zal men niet missen”. Verder gaat het verhaal niet, alleen dat het een daverend feest is geworden. Verder weet ik niet of de feesteling de groente naar wens heeft gehad, dat zou je Steef moeten vragen. Tegen Steef zei ze in een stillere periode: “Steef, ik ga even op mijn bed leggen (ze zei ‘leggen’ en niet ‘liggen’), ik ga even op mijn bed leggen, maar als er een goudvisje komt moet je me wekken”. Die werd dan geplukt als het even kon!! Zo verliep het leven voor hen heel gewoontjes en rustig.

Totdat er zich mannen van het kadaster in de bossen rontelom vertoonden. Het waren zelfs klanten, maar de al lang lopende geruchten dat er een rijksweg juist daar moest komen, dreigde werkelijkheid te worden. Daarvan werden ze onrustig. Er werden links en rechts piketplaatjes langs het fietspad en in het bos geslagen en de mare werd steeds sterker: het betrof afbakening van de nieuwe weg. De heren van Rijkswaterstaat wonden er geen doekjes om: Floor en Martha zouden met hun aan het hart gebakken tram midden op de rijbaan komen liggen. Voor een echte tram ging men niet opzij, voor hun verblijf bleef er niets anders over dan te verkassen. Met behulp van de brouwerij en met medewerking van veel hogere instanties is dat gelukt. Er kon heel schuin tegenover (aan de kant van het kanaal dus) een stuk grond gehuurd worden van een particulier, namelijk van Sjef van Heesch (of was het Gerrit Elshof, de kastelein van ‘De Beurs’). Een andere Sjef, Sjef de Goeij en zijn Mina, hadden daar ook een bosje, maar die wilden niet meewerken aan zo’n drankhok van ontucht.
Er werd een ruim houten gebouw geplaatst, zoals gezegd aan de kant van het kanaal, een meter of tien van het fietspad vandaan en ten westen van het huis van Nol Vacant, die eigenlijk Van Ostade heette. Het lokaal stond onder een rij eikenbomen met daartussen mast, geriefhout en bossage. Er was plaats voor een aangepaste speeltuin met grotere schommels en ander speeltuig. Men ging erop vooruit en dat deed het echtpaar Kroon al spoedig de onzekerheid en trubbel vergeten. De geachte cliëntèle hielp met het verhuizen en ook dat zal in dubbele betekenis ‘gesmeerd’ verlopen zijn. Floor is kort daarop gestorven en begraven bij de Oude Toren in Woensel. Martha kon het niet alleen aan. Ze had wel helpers, maar die hadden soms andere dingen op het oog. Op zeker moment stond het haar tegen en is zij vertrokken naar haar geboortestreek. Sindsdien heb ik nooit meer iets van haar vernomen. Na een poosje leeg gestaan te hebben, heeft Huubke van Lijssel (die café Bloemendaal uitbaatte, vooraan het Eindhovense fietspad tegen het kanaal aan) het een tijdje erbij gedaan, maar dat haalde niet veel uit. Er kwam nog een huurder uit Best, Versteden meen ik, maar ook dat was geen succes.

Toen verscheen Jan Schoenmakers, een Philips-gepensioneerde vrijgezel uit Eindhoven ten tonele. Jan was geboortig uit Boxtel en een jaar of vijfenzestig oud. Herbergier zijn was voor hem een mooie afleiding en het leverde ook nog wat op. Jan opende op zaterdag 17 maart 1962 ‘De Oase’, een gemoderniseerde zaak, zoals de uitnodiging luidde. Als uitbater blonk hij niet uit. Kastelein zijn is een vak apart. Ge moet eigenlijk ‘onder het biljart geboren zijn’, dan heb je het in je. Jan was een doodgoeie man en te goeder trouw. Hij had onder andere een plakboek over een reis naar Rome, die hij ooit gemaakt had. Daar genoot hij van. Omdat er allerlei slag volk kwam, werd hij te grazen genomen. Veel zal hij niet verdiend hebben, maar hij had tijdens zijn werkzame leven spaarzaam geleefd en dat geld had hij in huis. Naderhand bleek dat hij spaargeld in een ouwe sok onder het matras had liggen. Ik denk dat Jan ook schrik had. Hij was gewoonweg bang, niet voor niets had hij een aks in de spoelbak liggen. Het zou zijn dood gaan betekenen. Er werd veel gekaart aan de ‘stamtisch’ en Jan deed ijverig mee. Af en toe rommelde hij wat onder de tapkast en voorzag de klanten van het Oirschotse Kroonbier met (als niemand het zag) ooit een borreltje jenever. Jan pimpelde zelf mee en om de tel niet kwijt te raken liet hij de lege flesjes altijd bij de klant op tafel staan. Dat was slim om misbruik tegen te gaan. Voor de veiligheid had hij verder een tweetal grote honden rondlopen die de goedwillende klanten kenden. Er viel wel eens een stukje kwatta af voor de beesten. Zoals gezegd, er kwam allerlei volk in zijn etablissement: goei volk, zoals de meeste militairen, maar ook zwervers die moeilijk in te schatten waren als het ging over eigendomsrecht! Eén zwerver kwam met enige regelmaat, iemand met een brommerke. Jan had het niet op die loslopende lui en het hield ook nette bezoekers àf. Soms waren er kinderen bij die zich in de speeltuin vermaakten als pa en ma uitrustten van het fietstochtje in de natuur. Jan had ooit een maagbloeding gehad en dat werkte niet goed op zijn humeur en belette hem in zijn corvéewerk. Het was binnen smoezelig en groezelig. Ge merkte dat er een vrouwenhand ontbrak. Alhoewel, er is ooit een vrouwspersoon achter de tap aanwezig geweest en het gerucht ging dat zij wel eens met mannen de Wintelresedijk opging, de bossen in. Jan had dat niet in de hand en, zoals gezegd, hij dronk nogal mee. Moderne caféhouders doen dat zogenaamd ook, maar die drinken van een borreltje met klaar water! Jan dronk het originele en zodoende sliep hij zijn roes wel eens uit tot ver in de namiddag. Kortom, de zaak verslofte. Hij ging bijvoorbeeld slordig om met de overgordijnen: half dichtgetrokken, uiteen gerafeld en scheef hangend. Dat zou nog een rol spelen toen getuigen al dan niet gezien hadden of er licht brandde op de bewuste late avond. Hoe dan ook: op de avond/nacht van 8 op 9 augustus 1967 speelde er zich een bloedig, droevig, aangrijpend drama af. Jan werd meedogenloos gedood door een slag met zijn eigen bijl in zijn achterhoofd terwijl hij aan de grote tafel zat. Onverhoeds moet hij van achteren zijn neergeslagen. Het hoofd werd als het ware ingeslagen en Jan moet onmiddellijk dood geweest zijn. De stoel waarin hij zat, was een zogenaamde Thonet-armleunstoel (een Oostenrijks ontwerp), zoals die toendertijd veel in cafés voorkwamen. Nog lang heeft die gehavende stoel, temidden van de rest van de inventaris, in een opslagplaats bij de Oirschotse brouwer gestaan. Als ik dat gevalletje zag, moest ik dikwijls denken aan de arme man en zijn gruwelijk einde. Vóór op de tafel bleken glazen en flesjes te staan. Jan had dus niks opgeruimd en zal, misschien wat versuft, aan tafel gezeten hebben. Heeft hij iemand zien binnenkomen? Is er soms iemand even (zogenaamd?) achter naar buiten gegaan om te plassen en heeft die toen onverhoeds de slag toegebracht? Niemand weet het. Velen zijn gehoord en lange tijd zijn de gangen nagegaan van de personen, die er die dag vertoefd hadden. Het gezapige leventje in ‘De Oase’ was wreed verstoord.

Buurman Marte v.d.Biggelaar, melkboer, kwam wel ooit over de vloer bij Jan en maakte er een praatje. Marte leverde melk en eieren en dat werd altijd prompt betaald. Trouwens ook andere leveranciers hoefden nooit op geld te wachten. Op een keer had een grote loslopende hond bij Marte een paar kippen doodgebeten en Marte verdacht direct een van de dieren van Jan Schoenmakers. Daarom is hij naar ‘De Oase’ gegaan om zijn beklag te doen, maar hij trof niemand aan. Een paar dagen nadien was er nog geen leven te bespeuren. Verschillende mensen kwamen aan een gesloten deur. Marte had wat rondgekeken maar kon niet goed binnenkijken. Hij werd toen ongerust en heeft de politie gewaarschuwd. Die hebben de deur uit het geheng genomen en zijn naar binnen gegaan. Zij vonden Jan zittend aan tafel met een bedsprei over zijn hoofd en overal bloed en spatten. Jan moet meteen morsdood zijn geweest. Huisarts J. Lieshout kon slechts de dood constateren. Er kwam natuurlijk garen op de klos: de politie zette alles af en zorgde voor het veiligstellen van vingerafdrukken, o.a. op het glaswerk. Ook werd een speurhond ingezet en velen werden ge- en verhoord. Alle vaste bezoekers werden uitvoerig ondervraagd en vooral een bepaalde zwerver, een oude bekende van de politie, werd flink aan de tand gevoeld. Deze flierefluiter, die hier en daar in hooibergen sliep en in duistere cafeetjes kwam, werd zelfs in bewaring gesteld. Hij was zwaar verdacht, vooral zijn financiën werden uitgeplozen. Hij handelde in lompen en metalen, o.a. met woonwagenbewoners uit West-Brabant. Hij was een soort Swiebertje, maar dan met kwade inslag, geen met goede inborst. De zwerver was al eens veroordeeld voor diefstal en inbraak en dus heeft men hem binnenstebuiten gekeerd, zoals de praat in Oirschot was. Vooral de gangen van deze zwerver zijn intens nagegaan, maar alhoewel de politie ervan overtuigd was de dader te pakken te hebben, konden ze deze man niets maken. Volgens de pers had hij toevallig dezelfde bloedgroep als de vermoorde. Dat de verdachte bloedsporen op zijn kleren had, was van een vechtpartijtje waarin hij tussenbeide was gekomen. Dat bleek waar te zijn. Het schijnt die avond en nacht tijdens een onweer hard geregend te hebben waardoor sporen uitgewist zouden zijn. In eerste instantie werd verdachte veroordeeld, maar toen puntje bij paaltje kwam, oordeelde de rechtbank anders. Het kon niet bewezen worden, hij kwam vrij. Jammer dat DNA nog onbekend was. Jan werd begraven in het Philipsdorp in Eindhoven op de R.K. Begraafplaats van de parochie.

Ik heb altijd gehoord dat de buit niet groot geweest kan zijn omdat de verstopte ouwe sok niet was meegenomen. De Oase werd enige tijd later met de speeltuin afgebroken en thans ligt de plek er vredig bij.